Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant] , bijgestaan door mr. Van Rooij;
- mevrouw [bewindvoerder], hierna te noemen: de bewindvoerder, en
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant heeft in eerste aanleg een verzoek gedaan tot verlenging van zijn schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft deze verlenging met zes maanden toegekend, ondanks het advies van de bewindvoerder om slechts twee maanden te verlengen. Dit vanwege het niet volledig nakomen van afdrachtverplichtingen, met name het niet afdragen van ontvangen giften aan de boedel, wat leidde tot een boedelachterstand van circa €4.700.
In hoger beroep betoogt appellant dat hij niet wist dat de giften aan de boedel moesten worden afgedragen en dat hij de boedelachterstand kan inlossen met een beëindigingsvergoeding van zijn werkgever. De bewindvoerder bevestigt dat de vergoeding inmiddels is ontvangen en gebruikt om de achterstand in te lopen, en adviseert verlenging met twee maanden.
Het hof oordeelt dat ondanks het inlopen van de achterstand, de mate van schending van verplichtingen zwaarder weegt en dat de verlenging van zes maanden terecht is. Tevens bevestigt het hof dat de beëindigingsvergoeding conform toestemming van de rechter-commissaris mag worden gebruikt voor het inlopen van de boedelachterstand. Het hof benadrukt dat appellant zich stipt moet houden aan alle verplichtingen tijdens de verlengde periode, anders dreigt beëindiging van de regeling zonder schone lei.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de schuldsaneringsregeling met zes maanden en wijst het verzoek tot beperking van de verlenging af.