Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad behandelt de vraag of de termijn van een schuldsaneringsregeling verlengd kan worden nadat de wettelijke looptijd van drie jaar, zoals bedoeld in art. 349a lid 1 Fw, is verstreken.
De zaak betreft een verzoekster bij wie de schuldsaneringsregeling op 19 november 2013 eindigde. De bewindvoerder stelde voor de regeling te beëindigen zonder schone lei, maar het hof stelde prejudiciële vragen over de mogelijkheid van verlenging na afloop van de wettelijke termijn en de gevolgen daarvan voor de verplichtingen van de schuldenaar.
De Hoge Raad beantwoordt dat de beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling ook na het verstrijken van de wettelijke termijn kan worden genomen. Gedurende de periode tussen het einde van de wettelijke termijn en de definitieve rechterlijke beslissing over verlenging gelden de schuldsaneringsverplichtingen niet. De regeling eindigt formeel pas met inachtneming van de wettelijke bepalingen over beëindiging.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij verlenging duidelijk moet aangeven welke verplichtingen gedurende de verlenging gelden en dat de procedure tijdig moet worden gestart om verlenging binnen de oorspronkelijke termijn mogelijk te maken.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 349a Fw en de rechtspositie van schuldenaren in de periode tussen afloop van de wettelijke termijn en rechterlijke beslissing over verlenging.