Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Advies B.V.] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[Belastingadviseurs] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 4] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 24 november 2020 en de daarin genoemde processtukken;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens inhoudende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens akte overlegging aanvullende productie.
6.De verdere beoordeling
i) voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor zich, aansprakelijk zijn voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de uitvoering van de door [appellante] aan [de maatschap] verstrekte opdracht;
ii) [geïntimeerden] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor zich te veroordelen tot betaling van:
:BY7840).
6.7. De stelplicht en bewijslast ter zake het beroep op art. 7:404 BW Pro rust op [appellante] , aangezien [appellante] zich beroept op het rechtsgevolg van hoofdelijke persoonlijke aansprakelijkheid. [appellante] stelt dat alleen [geïntimeerde 4] in persoon aansprakelijk is op grond van art. 6:74 BW Pro jo art. 7:401 BW Pro en art. 7:404 BW Pro. Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen tussen [appellante] en de maatschap [de maatschap] zonder dat een schriftelijke opdrachtbevestiging is verzonden. Naar het oordeel van het hof is het enkele feit dat met [geïntimeerde 4] in de loop der jaren een vertrouwensband is opgebouwd onvoldoende om aan te nemen dat de opdracht is verleend met het oog op [geïntimeerde 4] als uitvoerder van de fiscale werkzaamheden zoals bedoeld in art. 7:404 BW Pro. Verdere aanknopingspunten daarvoor ontbreken, zoals een uitdrukkelijke bepaling in de opdrachtverlening. Het hof neemt voorts in aanmerking dat zowel de brief van 13 augustus 2003 als de brief van 25 juli 2006 is ondertekend door [geïntimeerde 2] en niet door [geïntimeerde 4] . Verder staat ook [geïntimeerde 2] - en niet [geïntimeerde 4] - vermeld als belastingadviseur en contactpersoon in het rapport van 23 november 2010 dat de Belastingdienst heeft opgesteld naar aanleiding van het boekenonderzoek over de jaren 2006 en 2007. De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde 4] voor de uitvoering van de opdracht [geïntimeerde 2] heeft ingeschakeld als hulppersoon is door [geïntimeerden] betwist en [appellante] heeft hiertegen geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de inschakeling van [geïntimeerde 2] als hulppersoon blijkt. Het hof komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de opdracht ex art. 7:404 BW Pro is verleend met het oog op [geïntimeerde 4] als uitvoerder van de fiscale werkzaamheden. Evenmin is sprake van aansprakelijkheid voor een hulppersoon als bedoeld in art. 6:76 BW Pro. Aangezien [appellante] daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd komt het hof aan bewijslevering op dit punt niet toe.
7.De uitspraak
€ 619.822,50;