Op 23 juni 2017 werd verdachte samen met twee medeverdachten aangehouden tijdens een verkeerscontrole in Breda. In de door verdachte bestuurde personenauto werden een omgebouwd alarmpistool (categorie III) en een pistoolmitrailleur (categorie II) met bijbehorende munitie aangetroffen. DNA-onderzoek van het NFI toonde aan dat het DNA van verdachte en medeverdachten op de wapens aanwezig was.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde, maar de officier van justitie stelde hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis en verklaarde bewezen dat verdachte medepleger was van het voorhanden hebben van de wapens en munitie. Het hof verwierp het verweer dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was en dat daardoor bewijs uitgesloten moest worden.
Het hof oordeelde dat verdachte bewust de wapens en munitie onder de passagiersstoel had en daarover feitelijke macht kon uitoefenen. De strafbaarheid werd bevestigd en het hof legde een gevangenisstraf van 243 dagen op, met aftrek van voorarrest, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De inbeslaggenomen personenauto werd teruggegeven aan de rechthebbende.