Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
7.Het verloop van de procedure
- de tussenarresten van 14 juli 2020 en 3 november 2020;
- de op 15 december 2020 door [appellante] genomen akte met productie 2;
- de zuivering van het tegen de VvD verleende verstek door de VvD op 15 december 2020;
- de op 12 januari 2021 door de VvD genomen akte met producties 1 tot en met 7.
8.De verdere beoordeling
- de inleidende dagvaarding van 16 september 2019;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- het beroepen vonnis van 15 januari 2020;
- de dagvaarding in hoger beroep van 9 april 2020;
- de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, van 21 september 2020;
- het tussenarrest van 3 november 2020.
- De serviceflat “ [de serviceflat] ” (hierna: [de serviceflat] ) is een gebouw aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Bij notariële akte van 24 november 1972 (verder: de akte van splitsing) is het gebouw gesplitst in 114 appartementen en is de Vereniging van Eigenaren van appartementen in de serviceflat " [de serviceflat] " (hierna: de VvE) opgericht.
- In de akte van splitsing is een reglement opgenomen. Naast de VvE is opgericht de in het reglement vermelde “Coöperatie tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat “ [de serviceflat] ” U.A.”. De coöperatieve vereniging is per 31 december 2013 omgezet in een “gewone” vereniging, de VvD.
- [appellante] is of was eigenaar van een appartement in [de serviceflat] ( [adres 1] te [plaats] ). [appellante] heeft dat appartement zelf bewoond.
- De VvD heeft [appellante] in rechte betrokken en een bedrag gevorderd van € 4.459,44 aan, kort gezegd, achterstallige VvE-bijdragen, alsmede de nog te vervallen maandelijkse bijdragen.
- [appellante] heeft hiertegen het verweer aangevoerd dat de VvD niet vorderingsgerechtigd is ter zake van maandelijkse VvE-bijdragen. Eigenaresse van dergelijke vorderingen – en dus vorderingsgerechtigd – is volgens [appellante] bij de uitsluiting de VvE.
- [appellante] heeft in of omstreeks september 2014 overeenstemming bereikt met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) over de verkoop en levering van haar appartement in [de serviceflat] aan [naam 1] . [appellante] heeft het notariskantoor [notariskantoor] te [vestigingsplaats] opdracht gegeven om de leveringsakte te passeren. De levering zou plaatsvinden op 24 oktober 2014.
- In verband met de door haar te passeren leveringsakte heeft [notariskantoor] bij e-mail van 3 oktober 2014 aan de VvE om de in artikel 5:122 lid 5 BW Pro bedoelde verklaring en in artikel 5:122 lid 6 BW Pro bedoelde informatie gevraagd.
- Bij brief van 10 oktober 2014 heeft [penningmeester] , penningmeester van de VvE en de VvD, aan [notariskantoor] onder meer meegedeeld, samengevat:
- dat levering van het appartement alleen mogelijk is aan personen, die een schriftelijke verklaring kunnen overleggen van de VvD dat zij als lid van die vereniging zijn toegelaten;
- dat [naam 1] als huurster ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zij geen lid van de VvD is en dat zij de bijdragen voor de VvD niet hoeft te betalen;
- dat de voorgenomen levering pas kan plaatsvinden nadat [naam 1] schriftelijk heeft medegedeeld dat zij zich als lid van de VvD aanmeldt;
- dat [appellante] een schuld heeft aan de VvD en dat het betreffende bedrag plus rente en proceskosten vóór de overdracht in derdendepot bij de notaris moet zijn gestort, bij gebreke waarvan conservatoir beslag op het appartement wordt gelegd;
- dat er een door de VvD ingestelde incassoprocedure tegen [appellante] loopt.
- Bij vonnis van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:9245, heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de door de VvD tegen [appellante] aangespannen procedure geoordeeld dat [appellante] geen lid is van de VvD. De kantonrechter heeft de vordering van de VvD tegen [appellante] afgewezen.
- Bij brief van 22 oktober 2014 heeft de gemachtigde van [appellante] aan het bestuur van de VvE onder meer het volgende meegedeeld:
- Op 24 oktober 2014 heeft [appellante] getracht de notaris ervan te overtuigen dat de levering van het appartementsrecht doorgang kon vinden. De notaris had op dat moment geen bericht van de VvE of de VvD ontvangen waarin de in de brief van 10 oktober 2014 tegen de levering geformuleerde bezwaren waren ingetrokken. De notaris heeft niet meegewerkt aan de levering van het appartementsrecht.
- Bij brief van 6 maart 2015 heeft penningmeester van de VvE en de VvD aan de notaris meegedeeld dat er geen belemmeringen bestaan terzake de overdracht van het appartement door [appellante] aan [naam 1] .
- Het in het geschil tussen de VvD en [appellante] gewezen vonnis van 15 oktober 2014 is in hoger beroep door dit hof bekrachtigd bij arrest van 19 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1516.
- Bij arrest van 5 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:797, heeft dit hof geoordeeld dat de VvD onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld doordat de VvD heeft verzuimd om de notaris ‘ [notariskantoor] ’ te [vestigingsplaats] tijdig, dat wil zeggen vóór het op 24 oktober 2014 voorziene notarieel transport, op de hoogte te stellen van het ontbreken van enig beletsel voor de overdracht van het appartementsrecht door [appellante] . Het hof heeft de VvD in verband met die onrechtmatige daad veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat.
- A. € 20.800,-- aan VvE-bijdragen voor het appartement van [appellante] in [de serviceflat] over de periode van december 2014 tot en met september 2020;
- B. € 13.404,30 ter zake hypotheeklasten (hof: kennelijk rente en aflossing) voor het appartement van [appellante] in [de serviceflat] over de periode van december 2014 tot en met september 2020;
- C. € 875,-- als stelpost ter zake gemeentelijke lasten voor het appartement van [appellante] in [de serviceflat] (naar het hof begrijpt: over de periode van december 2014 tot en met september 2020);
- D. € 514,25 aan notariskosten omdat de levering van het appartement door [appellante] geen doorgang heeft kunnen vinden;
- E. € 10.901,73 aan VvE-bijdragen ter zake het appartement van [appellante] aan de [adres 2] te [plaats] over de periode van december 2014 tot en met september 2020;
- F. € 3.500,-- als stelpost ter zake gemeentelijke lasten voor het appartement van [appellante] aan de [adres 2] te [plaats] (naar het hof begrijpt: over de periode van december 2014 tot en met september 2020).
- een factuur van 1 juli 2018 voor de VvE-bijdrage van juli 2018;
- een overzicht van door de VvE aan [appellante] in rekening gebrachte bedragen over de periode van 5 januari 2015 tot en met 1 februari 2018.
- [appellante] heeft geen bewijsstuk overgelegd ten aanzien van de VvE-bijdrage over de maand december 2014.
- Uit het door [appellante] overgelegde overzicht van VvE-bijdragen over de periode van 5 januari 2015 tot en met 1 februari 2018 volgt dat zij die bijdragen onbetaald heeft gelaten.
- Met betrekking tot de gevorderde maanden februari 2018 tot en met september 2020 heeft [appellante] geen bewijs overgelegd, behalve de factuur over de maand juli 2018.
- [appellante] heeft geen enkel betalingsbewijs overgelegd. De VvD betwist uitdrukkelijk dat [appellante] de VvE-bijdragen heeft betaald.
- Verhuur van appartementen in [de serviceflat] komt veelvuldig voor tegen huurprijzen die ver boven de VvE-bijdragen liggen. [appellante] laat zich er niet over uit of zij het appartement heeft verhuurd. Zij had dat in elk geval kunnen doen en daarmee winst kunnen maken. Dat voordeel moet op de voet van artikel 6:100 BW Pro bij de vaststelling van de schade in rekening worden gebracht.
- Als [appellante] al schade zou lijden door het bezit van het appartement, had zij het appartement moeten verkopen. Op haar rust immers een schadebeperkingsplicht. [appellante] had met een dergelijke verkoop een forse winst kunnen realiseren.
- [appellante] heeft ter zake deze post slechts één bankafschrift overgelegd, te weten voor de maand september 2020. De VvD betwist dat de daarop vermelde betaling betrekking heeft op de hypotheek voor het appartement in [de serviceflat] .
- De VvD betwist hetgeen over de andere maanden wordt gevorderd, nu daarvan geen enkel bewijs is overgelegd.
- [appellante] maakt niet duidelijk hoe het ter zake de hypotheek te betalen maandbedrag is samengesteld. Voor zover er een deel aflossing in zit, is dat deel in elk geval niet als schade te beschouwen.