Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2.[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/358730 / HA ZA 19-334)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met twee producties;
- de akte van de zijde van [appellante] van 17 november 2020;
- de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde 1] van 15 december 2020.
3.De beoordeling
al mijn goederen, zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van de waarde daarvan, vast te stellen op de in voorkomende gevallen bij de wet aangegeven wijze bij boedelverdeling (…)
aan mij voornoemde aanstaande echtgenote ter voldoening aan mijn verzorgingsplicht jegens haar:
voor haar rekening te nemen en geheel als eigen schuld te voldoen alle tot mijn nalatenschap behorende passiva (…)”
rechtbankoverwoog daartoe in rov. 3.13. als volgt:
- de rechtsbijstand van [appellante] in 1994 (grief A);
- de geestelijke gesteldheid van [ex-echtgenoot] (grief B);
- de draagkracht van [geïntimeerde 1] (grief C).
hofstelt het volgende voorop.
[geïntimeerde 1]betoogd dat zij voorafgaand aan de procedure bij de rechtbank [appellante] heeft verzocht de benodigde stukken in het kader van de verdeling van huwelijksgemeenschap na de echtscheiding van [ex-echtgenoot] en [appellante] over te leggen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op een tweetal brieven die ook in de procedure bij de rechtbank (prod. 2 en 3 bij cva) zijn overgelegd. Het betreft een brief van 5 mei 1994 van de voormalige advocaat van [appellante] aan de notaris en een brief van [appellante] aan [ex-echtgenoot] van 25 mei 1994.