In deze zaak staat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [de werkgever] en [de werknemer], bedrijfsleider sinds 1993, centraal. Na een arbeidsongeval in augustus 2019 is [de werknemer] arbeidsongeschikt geworden. Vervolgens zijn er beschuldigingen van seksuele intimidatie door medewerkers geuit, welke [de werknemer] heeft betwist.
De werkgever verzocht in eerste aanleg ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [de werknemer]. De kantonrechter wees dit verzoek af wegens gebrek aan bewijs van verwijtbaar handelen en veroordeelde de werkgever tot wedertewerkstelling.
In hoger beroep baseert de werkgever het verzoek uitsluitend op de g-grond, een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Het hof oordeelt dat die verstoorde arbeidsverhouding inderdaad bestaat, mede door het uitblijven van resultaat bij mediation. Het hof ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 april 2021 en veroordeelt de werkgever tot betaling van een transitievergoeding van €10.000. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
De beslissing vernietigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek van de werkgever toe op basis van de verstoorde arbeidsverhouding, waarbij geen rekening wordt gehouden met een opzegtermijn.