Op 9 maart 2019 hield verdachte zich op langs de route waar Geert Wilders een campagne voerde in Heerlen. Hij droeg een bijl, een bahco en twee stanleymessen bij zich en deed tegen een politieambtenaar de uitlating dat hij Wilders met een bijl de kop in zou slaan. De verdachte werd aangehouden en later vrijgesproken van voorbereiding moord/doodslag en wapenbezit, maar veroordeeld voor verbale bedreiging.
De rechtbank Limburg sprak verdachte in eerste aanleg vrij van de meeste tenlastegelegde feiten, maar het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep. Het hof stelde vast dat verdachte vanwege zijn verstandelijke beperking en moeizame communicatie niet de intentie had Wilders daadwerkelijk iets aan te doen, waardoor de zwaardere tenlasteleggingen niet bewezen konden worden.
Wel achtte het hof bewezen dat verdachte Wilders verbaal bedreigde met woorden die bij Wilders de redelijke vrees konden opwekken voor zijn leven of zwaar lichamelijk letsel. Gelet op de ernst van de bedreiging, de context van het bezoek en de impact op Wilders en diens beveiliging, legde het hof een gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van voorarrest.
De inbeslaggenomen messen, bijl en gereedschap werden teruggegeven aan verdachte, aangezien het belang van de strafvordering zich daartegen niet langer verzette. Het hof benadrukte het belang van bescherming van politici en de ernst van bedreigingen in een democratische samenleving.