Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[dochter],
2. [zoon 1],
3. [zoon 2],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
Bij brief van 1 maart 2021 heeft het hof vervolgens een schema voorgesteld voor de indiening van nadere reacties.
Vervolgens is door Mr. Teerink bij V-6 formulier, ingekomen ter griffie op 10 maart 2021, als nader schriftelijk stuk ‘pleitaantekeningen (antwoord)’ ingediend.
3.De beoordeling
Het hof is van oordeel dat appellant, [de vader] , in het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is.
In dat verband dient de rechter ( in casu het hof) de bestreden uitspraak zelfstandig te kwalificeren.
Met de beslissing wordt een einde gemaakt aan het verzoek van de kinderen in die zin dat hun verzoek wordt toegewezen.
vetgeprinte passagessteeds aldus door het hof zijn uitgelicht, en waarbij tevens per citaat wordt aangegeven wat het hof daaruit afleidt:
4.2
4.5.Voor het geval dat de waardering van de baten van haar nalatenschap niet met onderling goedvinden kan plaatsvinden heeft erflaatster in haar testament de toen geldende artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaard. (…)Artikel 1124, eerste alinea BW (oud) luidde:
“4.8.Met de benoeming van (een) deskundige(n) komt deze verzoekschriftprocedure ten einde.In aansluiting op hetgeen bij 4.3 hierboven werd overwogen zal [de vader] zich alsdan er over uit kunnen laten of hij zijn verzoek tot het verkrijgen van een verklaring voor recht wenst voort te zetten in een dagvaardingsprocedure dan wel het verzoek intrekt.”
2.13. (…) Ten slotte wordt in dit verband herhaald dat overweging 4.8 in de tussenbeschikking niet correct is geformuleerd. Bij brief van 1 mei 2020 is door de griffier aan partijen bericht dat de overweging had moeten luiden: ‘Indien wordt geoordeeld dat [de vader] niet in zijn verzoek kan worden ontvangen komt met de benoeming van (een) deskundige(n) deze verzoekschriftenprocedure ten einde.’ Uit hetgeen hierboven werd overwogen volgt evenwel dat [de vader] wel ontvankelijk is in zijn verzoek, zodat hij er geen belang bij heeft om op deze (gewijzigde) overweging terug te komen.”
tegenverzoek zou kunnen worden ingediend in de onderhavige procedure (vergelijk artikel 202 lid 2 Rv Pro en HR 26 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1985). Deze duiding verklaart ook waarom de kantonrechter (aanvankelijk, zie hierna) na benoeming van deskundigen voor zichzelf in de onderhavige procedure geen taak meer zag weggelegd.
Gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod als bedoeld in de zogenaamde doorbrekingsjurisprudentie zijn immers gesteld noch gebleken.
0.12
voorzover daarbij in het dictum een onderzoek door deskundigen is bevolen, niet kan worden aangemerkt als een deelarrest aangezien daarbij geen einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde.Onder het gevorderde in deze zin is immers te verstaan
de rechtsvordering die inzet van het geding is.Daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende vorderingen, zoals de vordering van de vrouw tot het bevelen van een onderzoek door deskundigen”.
.
4.De uitspraak
€ 332,=aan griffierecht en op
€ 1.671,=aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 163,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;