In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige werd verleend. De moeder van de minderjarige betwistte deze machtiging en verzocht om vernietiging, stellende dat de uithuisplaatsing niet in het belang van het kind was en dat er positieve ontwikkelingen waren.
Het hof heeft vastgesteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing op 29 oktober 2020 werd verleend, maar dat deze niet tijdig, dat wil zeggen binnen drie maanden, is ten uitvoer gelegd. De daadwerkelijke opname van de minderjarige vond pas plaats op 31 januari 2021, na het uitvaardigen van een OAT-verzoek aan de politie. Dit betekent dat de machtiging van rechtswege is vervallen.
De moeder werd daarom niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de beschikking en ook in het provisionele verzoek tot terugplaatsing van de minderjarige. Het hof overwoog dat er geen belang meer was bij beoordeling van de verzoeken nu de machtiging was vervallen. Tevens werd benadrukt dat een eventuele nieuwe machtiging in de toekomst beoordeeld zal worden op basis van actuele omstandigheden.
De uitspraak bevestigt dat het niet tijdig effectueren van een machtiging tot uithuisplaatsing leidt tot verval daarvan, ongeacht eventuele obstructie door ouders. Dit waarborgt rechtszekerheid en naleving van wettelijke termijnen in jeugdbeschermingsmaatregelen.