ECLI:NL:GHSHE:2021:957

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
200.283.579_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b Wet RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijzing zaak naar ander gerechtshof afgewezen wegens professionele betrokkenheid

In deze civiele zaak tussen Warsteiner Benelux B.V. en Delftsestraat Exploitatie B.V. c.s. stond een verzoek centraal om de behandeling van het hoger beroep over te dragen aan een ander gerechtshof. Warsteiner beriep zich op mogelijke belangenverstrengeling omdat een raadsheer-plaatsvervanger van het hof eerder als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank betrokken was bij het bestreden vonnis.

Het hof verwees naar artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie en het Zaakverdelingsreglement van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin is bepaald dat alleen bij persoonlijke betrokkenheid van een medewerker een verwijzing naar een ander hof kan plaatsvinden. Omdat in deze zaak sprake was van professionele en niet persoonlijke betrokkenheid, oordeelde het hof dat geen reden bestond voor verwijzing.

Het hof besloot de zaak op de rol van 13 april 2021 te plaatsen voor beraad en hield verdere beslissingen aan. Het verzoek tot verwijzing werd ambtshalve peremptoir afgewezen. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof is afgewezen wegens professionele betrokkenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.283.579/01
arrest van 30 maart 2021
in de zaak van
Warsteiner Benelux B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: Warsteiner,
advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,
tegen

1.Delftsestraat Exploitatie B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3.
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als: Delftsestraat c.s.,
advocaat: mr. A. Ester te Zwijndrecht,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 augustus 2020, gewezen tussen Warsteiner als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en Delftsestraat c.s. als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351454 / HA ZA 19-674)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 11 december 2019.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;
  • de memorie van antwoord in het incidenteel appel, tevens houdende een verzoek tot verwijzing naar een ander gerechtshof ex artikel 62B RO.
Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest.

3.De beoordeling

3.1.
In haar laatste memorie heeft Warsteiner verzocht om de zaak te verwijzen naar een ander hof omdat het bestreden vonnis is gewezen door mr. Z.D. van Heesen-Laclé die destijds RIO/rechter-plaatsvervanger was bij de rechtbank, maar thans RHIO/raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof.
3.2.
Op grond van artikel 62b Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) kan het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.
Volgens het Zaakverdelingsreglement van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, gepubliceerd in Staatscourant 2020 nr. 33889, worden zaken waarbij eigen medewerkers zijn betrokken conform het “Protocol rechtszaak eigen medewerker” van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, verwezen naar het gerechtshof Den Haag. Uit dit Protocol blijkt dat het moet gaan om gevallen waarin een medewerker van het hof privé (direct of indirect) betrokken is bij een zaak. In deze zaak is geen sprake van persoonlijke betrokkenheid, maar van professionele betrokkenheid. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62b Wet RO en dat het verzoek om verwijzing naar een ander hof zal worden afgewezen.
3.3.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 13 april 2021 voor beraad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2021 voor beraad, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 maart 2021.
griffier rolraadsheer