Partijen waren aandeelhouders in twee vennootschappen en spraken af dat appellant de aandelen van geïntimeerde zou overnemen. Naast de koopovereenkomst stelde geïntimeerde dat appellant een geldlening van €50.000 had ontvangen, die niet was terugbetaald. Appellant betwistte de echtheid van de leningsovereenkomst en de handtekening, en voerde aan dat het bedrag onderdeel was van de aandelenovername.
De rechtbank had de vorderingen van geïntimeerde grotendeels toegewezen, omdat appellant niet slaagde in het bewijs van terugbetaling. In hoger beroep betwist appellant dit en voert hij aan dat hij het bedrag contant heeft terugbetaald, onderbouwd met getuigenverklaringen en whatsapp-berichten.
Het hof oordeelt dat appellant zijn betwisting van de echtheid onvoldoende concreet heeft gemaakt, maar gaat voor proceseconomische redenen uit van de aanname dat de handtekening van appellant is. Het hof acht het bewijs van terugbetaling voorshands voldoende en laat geïntimeerde toe tegenbewijs te leveren. Het hof wijst een raadsheer-commissaris aan voor het getuigenverhoor en houdt verdere beslissing aan.