Appellant was sinds 2017 in dienst bij geïntimeerde en meldde zich in juni 2021 ziek vanwege rugklachten. Tijdens zijn ziekteperiode ontstond discussie over loonbetaling en afwezigheid, waarbij geïntimeerde het als onbetaald verlof beschouwde. Op 20 september 2021 werd appellant medegedeeld niet langer werkzaam te zijn.
In maart 2022 werd het vermogen van appellant onder bewind gesteld en een bewindvoerder benoemd. Het hof heeft op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad vastgesteld dat bij formele onderbewindstelling de bewindvoerder als procespartij moet worden betrokken.
Daarom heeft het hof het hoger beroep aangehouden en de zaak verwezen naar de rol van 19 april 2022, zodat appellant zijn bewindvoerder in het geding kan oproepen. De termijn voor de bewindvoerder om zich uit te laten is strikt beperkt tot 14 dagen gezien de spoedeisendheid van de procedure.