Verzoekster heeft bij de rechtbank verzocht om benoeming tot bewindvoerder en mentor van de rechthebbende, maar is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet voldoet aan de wettelijke definitie van 'andere levensgezel'.
In hoger beroep betoogt verzoekster dat zij een duurzame affectieve relatie met de rechthebbende heeft, waarbij zij intensieve mantelzorg verleende sinds de diagnose dementie. De kleinzonen betwisten dit en stellen dat er geen sprake is van een duurzame relatie of gemeenschappelijke huishouding, en dat verzoekster geen financiële bijdrage leverde.
Het hof overweegt dat het begrip 'andere levensgezel' een relatie vereist die vergelijkbaar is met een huwelijk of geregistreerd partnerschap, met nauwe persoonlijke betrekking en zekere hechtheid, inclusief economische verwevenheid. Gezien de feiten, waaronder het korte samenwonen en het aanhouden van een eigen woning door verzoekster, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dergelijke relatie.
Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek. De proceskosten worden in hoger beroep gecompenseerd.