Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
Verdachte heeft zijn levensgezel meermalen met kracht in het gezicht geslagen in het ziekenhuis kort na de geboorte van hun zoon. De rechtbank en het hof bewezenverklaarden de mishandeling en veroordeelden verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, mede gelet op zijn strafblad.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het letsel door aangeefster zelf was veroorzaakt. Diverse getuigen, waaronder kraamverzorgsters en familie, bevestigden echter de mishandeling door verdachte. Het hof motiveerde de straf op basis van de ernst van het feit, de locatie en het strafblad van verdachte.
In cassatie klaagde verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de aangeefster als levensgezel in de zin van art. 304 Sr Pro kon worden aangemerkt. De Hoge Raad stelde vast dat de bewijsvoering onvoldoende inzicht gaf in de aard en hechtheid van de relatie, zoals vereist volgens de wetsgeschiedenis.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De strafoplegging blijft daarmee voorlopig buiten beschouwing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering levensgezelschap en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.