ECLI:NL:GHSHE:2022:1169

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
12 april 2022
Zaaknummer
200.271.943_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 198 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep waterschap aansprakelijkheid wateroverlast na regenval

In deze civiele procedure stelt een groente- en fruitteler het waterschap aansprakelijk voor schade veroorzaakt door wateroverlast na hevige regenval. Het geschil betreft de vraag of het waterschap zijn zorgplicht heeft geschonden en of er een causaal verband bestaat tussen deze schending en de geleden schade.

Het hof heeft in eerdere tussenarresten partijen verzocht om gezamenlijk een deskundige te benoemen die het noodzakelijke onderzoek kan verrichten. Partijen konden echter geen overeenstemming bereiken over de te benoemen deskundige. Het hof heeft daarop verschillende deskundigen benaderd, waaronder medewerkers van Deltares en de TU Delft, maar deze konden het onderzoek niet uitvoeren vanwege expertise of tijdgebrek.

Het hof verzoekt partijen nu opnieuw om samen een geschikte deskundige te vinden, eventueel ook buiten Nederland, en zal de zaak aanhouden totdat hierover overeenstemming is bereikt. Alle verdere beslissingen worden aangehouden totdat het deskundigenonderzoek kan plaatsvinden.

Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en verzoekt partijen gezamenlijk een geschikte deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.271.943/01
arrest van 12 april 2022
in de zaak van
Waterschap Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.J. Jacobse te Middelburg,
tegen
Maatschap [de maatschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 13 juli 2021 en 23 november 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/241737 / HA ZA 17-563 gewezen vonnis van 15 mei 2019.

8.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 23 november 2021;
  • de akte na tussenarrest van [geintimeerde] , met producties 3 en 4.
  • de antwoordakte uitlaten deskundige van het Waterschap.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9.De verdere beoordeling

in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
9.1.
In rov. 6.4 van het tussenarrest van 23 november 2021 heeft het hof partijen verzocht – bij voorkeur eensluidend – concrete voorstellen te doen voor één of meer deskundigen die het hof kan benaderen voor het verrichten van het deskundigenonderzoek. Daarbij heeft het hof overwogen dat het niet zonder meer een gegeven is dat een deskundige werkzaam bij een kleiner bureau niet in aanmerking komt mits deze persoon over de benodigde expertise beschikt. Voorts heeft het hof overwogen er niet bij voorbaat van uit te gaan dat een deskundige die in opdracht van het Waterschap of andere waterschappen werkzaamheden verricht zijn opdracht niet onpartijdig kan volbrengen (artikel 198 lid 1 Rv Pro).
9.2.
Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig om, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rov. 6.4 van dat tussenarrest, concrete voorstellen te doen voor de persoon van de deskundige.
9.3.
Partijen hebben vervolgens beide een akte genomen. Daaruit blijkt dat ze niet tot overeenstemming hebben kunnen komen over een te benoemen deskundige. Verder hebben zij beide voorstellen gedaan voor de persoon van de deskundige. [geintimeerde] heeft voorgesteld de heer [persoon A] , werkzaam bij Deltares, als deskundige te benoemen. Het Waterschap heeft onder meer Deltares voorgedragen voor het uitvoeren van het deskundigenonderzoek, maar heeft bezwaar tegen benoeming van de heer [persoon A] als deskundige.
9.4.
Op basis van deze voorstellen heeft het hof Deltares benaderd met de vraag of (een medewerker) van Deltares kan worden benoemd als deskundige in deze zaak (niet zijnde de heer [persoon A] ). Deltares heeft het hof bericht dat zij het onderzoek niet kan doen omdat de core expertise die daarvoor nodig is wat verder afligt van de core expertise van Deltares. Zij heeft geadviseerd de vraag uit te zetten bij een andere partij en de heer [persoon B] van de TU Delft aanbevolen. Daarop heeft het hof de heer [persoon B] gevraagd of hij bereid en in staat is om het onderzoek te doen. Hij heeft geantwoord dat hij vanwege zijn werkzaamheden geen tijd heeft het onderzoek zorgvuldig uit te voeren. De heer [persoon B] heeft aangegeven dat het hof nog [persoon C] van Antea, [persoon D] (WUR, maar met pensioen) en [persoon E] ( [persoon E] @bureauwater.nl) zou kunnen benaderen. Zonder dat partijen hierover hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken, zal het hof dit niet doen.
9.5.
Gelet op het voorgaande verzoekt het hof partijen bij zichzelf en elkaar te rade te gaan en verder op zoek te gaan naar een geschikte deskundige waarover ze het eens zijn, ook rekening houdend met hetgeen is overwogen in rov. 6.4 van het tussenarrest van 23 november 2021 zoals hiervoor herhaald in rov. 9.1. Als deze deskundige in Nederland niet kan worden gevonden, dan mogelijk bijvoorbeeld in België. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig om zich hierover uit te laten. Voor een ander doel zijn deze aktes niet bestemd.
9.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

10.De uitspraak

Het hof:
op het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
verwijst de zaak naar de rol van 24 mei 2022 voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig als bedoeld in rov. 9.5;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M.E. Smorenburg en Z.D. van Heesen-Laclé en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2022.
griffier rolraadsheer