Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2022:1199

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 april 2022
Publicatiedatum
13 april 2022
Zaaknummer
20/00785 en 20/00786
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over 2017. Het hof verklaarde het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Belanghebbende stelde in verzet dat hij tijdig een beroep op betalingsonmacht had gedaan vanwege zijn WIA-status, maar kon geen bewijsstukken of data overleggen. Ook een telefonisch contact met de griffie ter herhaling van het beroep werd niet aannemelijk gemaakt.

Het hof oordeelde dat de stellingen onvoldoende waren om te concluderen dat het beroep op betalingsonmacht tijdig was gedaan. Het griffierecht was niet betaald binnen vier weken na aangetekende verzending van de nota. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring terecht.

Het verzet werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 20/00785 en 20/00786
Uitspraak op het verzet van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 17 juni 2021 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
20 november 2020, nummers BRE 20/364 en BRE 20/365 in het geding tussenbelanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2017 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet voor dat jaar.

De behandeling van het verzet

Partijen zijn uitgenodigd om te worden gehoord op het verzet. De zitting heeft digitaal via een beeld- en geluidverbinding plaatsgevonden op 16 maart 2022 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft aan deze zitting deelgenomen en is gehoord.
De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, waarin hij onder meer schrijft dat hij niet ter zitting zal verschijnen. Dit stuk is in kopie verzonden aan belanghebbende.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Gronden

1. Bij de uitspraak is het hoger beroep van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het ter zake van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen vier weken [1] na de dag van verzending van de mededeling waarin de griffier belanghebbende op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen.
2. De nota griffierecht is op 30 januari 2021 met nummer [nummer] aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres in [woonplaats] , terwijl geen betaling is ontvangen vóór of uiterlijk op 1 maart 2021.
Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de nota griffierecht op 4 februari 2021 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.
3.1.
Belanghebbende is tegen de uitspraak in verzet gekomen.
In zijn verzetschrift schrijft belanghebbende dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op betalingsonmacht met daarbij gevoegd producties van bewijzen voor deze betalingsonmacht. Kopieën van dit beroep op betalingsonmacht en/of de daarbij gevoegde producties zijn niet overgelegd.
3.2.
Op de zitting heeft belanghebbende nog het volgende aangevoerd:
Na ontvangst van de nota griffierecht heb ik het hof een brief gestuurd, waarin ik mij beroep op betalingsonmacht omdat ik in de WIA-regeling zit. Op dit verzoek is nooit beslist. Ik kan u van deze brief geen kopie geven of een datum noemen.
Ik heb het beroep op betalingsonmacht herhaald in een telefonisch contact met een medewerker van de griffie, maar op dat beroep nooit een beslissing ontvangen. Ik kan u geen naam noemen van degene met wie ik telefonisch heb gesproken of een datum waarop het gesprek heeft plaatsgevonden. Ik ben op mijn computer met u online, zodat ik nu niet in mijn bestanden kan zoeken of ik daar nog stukken van heb.
4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij na ontvangst van de nota griffierecht het hof een brief heeft gestuurd, waarin hij zich beroept op betalingsonmacht omdat hij in de WIA-regeling zit. Een kopie van die brief heeft hij niet overgelegd en de datum waarop deze zou zijn verzonden heeft hij niet kunnen noemen. Het hof acht de blote stelling van belanghebbende dat hij die brief heeft verstuurd onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij tijdig een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan.
4.2.
Ook de stelling van belanghebbende dat hij het beroep op betalingsonmacht heeft herhaald in een telefonisch contact met een medewerker van de griffie, acht het hof niet aannemelijk. Belanghebbende is in gebreke gebleven de naam te noemen van degene met wie hij heeft gesproken of de datum waarop het gesprek zou hebben plaatsgevonden.
4.3.
Het ter zake van het hoger beroep verschuldigde griffierecht is niet betaald binnen vier weken na de dag van de aangetekende verzending van de nota griffierecht en binnen die termijn is evenmin een beroep op betalingsonmacht van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende is daarom bij de uitspraak terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep [2] .
5. De slotsom is dat het verzet tegen de uitspraak ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
6. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.
De uitspraak is gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, P.C. van der Vegt en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, lid 5 Awb
2.Artikel 8:41, lid 6, Awb