De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant om het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen af te wijzen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en problematiek binnen het gezin.
De moeder stelde dat zij ontvankelijk moest worden verklaard in haar hoger beroep en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot verlenging had afgewezen, onder meer omdat de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd worden en de vader geen medewerking verleent aan hulpverlening. De GI steunde het verzoek tot verlenging en benadrukte de aanhoudende bedreiging en problematische situatie tussen de ouders.
De vader betwistte de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de moeder en stelde dat de situatie was veranderd, dat de kinderen geen hulp meer nodig hebben en dat de ondertoezichtstelling niet verlengd moest worden.
Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep, maar dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad van 9 juli 2021 een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer verlengd kan worden. Daarom kon het hof het verzoek tot verlenging niet toewijzen en wees het hoger beroep af. Het hof benadrukte de zorgelijke situatie van de kinderen en gaf aan dat bij aanhoudende zorgen een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden ingediend.