Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
8.Het verloop van de procedure
- het door het hof in de incidenten gewezen arrest van 18 mei 2021;
- het door de advocaat van [geïntimeerde] ingezonden H16-formulier met de akte inbreng producties met producties 32 tot en met 38, ingekomen op 17 februari 2022;
- het door de advocaat van [appellant] ingezonden H12-formulier met producties 3 tot en met 15, ingekomen op 18 februari 2022;
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2022 , waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
9.De beoordeling
- [geïntimeerde] is sinds 31 december 1998 eigenaar van het pand gelegen aan de [adres 1] en de [adres 2 en 3] te [plaats] . Het gaat hier om één pand (hierna: het pand). De begane grond is plaatselijk bekend als [adres 1] , de eerste verdieping als [adres 2] en de tweede verdieping als [adres 3] (hierna ook: het gehuurde).
- In de periode van 1999 tot 2006 heeft [geïntimeerde] , vanaf 2004 samen met zijn geregistreerd partner [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en haar zoon [persoon B] (hierna: [persoon B] ), op de eerste en de tweede verdieping van het pand gewoond.
- Met ingang van 1 januari 2006 heeft [geïntimeerde] met betrekking tot het gehuurde (op de tweede verdieping) een huurovereenkomst gesloten met [appellant] . Ten tijde van de procedure bij de kantonrechter bedroeg de huurprijs € 651,52 per maand. In de huurovereenkomst is onder meer opgenomen dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar en dat als die periode verstrijkt zonder opzegging de overeenkomst voor onbepaalde tijd doorloopt. Artikel 16 van Pro de Bijzondere bepalingen vermeldt, kort gezegd, dat de huurder na overleg onder meer aan de eigenaar toegang moet verlenen tot de zolder. In artikel 19 van Pro de Bijzondere bepalingen is vermeld dat de huurder ermee bekend is dat de eigenaar in de bovenwoning heeft gewoond en dat hij vermoedelijk na een periode van drie jaar de bovenwoning opnieuw zal willen betrekken.
- In september 2016 is [persoon B] (terug)verhuisd naar [adres 2] . In februari 2017 zijn ook [geïntimeerde] en [persoon A] naar de [adres 2] (terug)verhuisd.
- Per aangetekende brief van 26 september 2017 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst met [appellant] opgezegd wegens dringend eigen gebruik per 1 april 2018. De woning van zijn overleden moeder waar hij sinds 2006 tijdelijk verbleef, zo schrijft [geïntimeerde] , dient verkocht te worden.
- Bij aangetekende brief van 26 juli 2018 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst met [appellant] nogmaals opgezegd wegens dringend eigen gebruik tegen 1 februari 2019.
- [appellant] heeft [geïntimeerde] met zijn brieven van 14 mei 2018 en 21 september 2018 laten weten dat hij het gehuurde niet vrijwillig zal verlaten.
- [appellant] heeft het gehuurd op 30 september 2020 ontruimd.