Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Door [executeur] en [betrokkene 2] wordt ook gepersisteerd bij het eerdere verweerschrift.
Antwoordakte van de zijde van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van 28 oktober 2021 (met één niet
Namens het hof bericht ik u het volgende.
Antwoordakte van de zijde van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van 4 februari 2022.
Erflater is van 13 mei 2004 tot overlijden op [datum] 2015 gehuwd geweest met [betrokkene 2] .
Het hof zal dan ook thans verder geen aandacht hieraan besteden.
De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.”
3.8.2.2. Het hof is gebleken dat van een volledige informatieverstrekking als hiervoor bedoeld vóór de onderhavige procedure geen sprake is geweest, zodat het hof zelf heeft moeten aandringen op volledige openheid van zaken. Het hof heeft daarbij al op basis van de stukken in de procedure al zonder meer diverse stukken kunnen benoemen, maar geenszins beoogd – anders dan [executeur] en [betrokkene 2] c.s. vervolgens stellen (punt b, 3 van de akte van 30 december 2021 – een limitatieve opsomming te geven. De verplichting alle relevante informatie te verschaffen als hierboven geduid bestond immers al en bestaat nog steeds.
volledigeinformatie-uitwisseling bevorderen, en waar hij zelf over stukken beschikt die meteen met
alleerfgenamen delen (zie artikel 4:148 BW Pro). [executeur] lijkt zich daar niet aan te hebben gehouden. In dat opzicht is het door hem opgestelde ‘verantwoordingsdocument”- los van de toegankelijkheid - niet afdoende controleerbaar en onvoldoende door complete stukken onderbouwd.
In zoverre past [executeur] (en [betrokkene 2] ) dus geen verwijt over “suggestieve opmerkingen zonder onderbouwing door bewijstukken” aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , nu hij geen zorg gedragen heeft voor complete informatieverstrekking (anders dan betoogd in onderdeel 38 van het verweerschrift in hoger beroep). Hetzelfde geldt voor opmerkingen dat ten aanzien van bepaalde punten ’stelplicht en bewijslast op appellanten rust”, (VW HB punt 59). Het was [executeur] die zelf geen zorg gedragen heeft voor complete informatieverschaffing op die respectieve punten, althans daar onvoldoende op heeft toegezien dat minstens door [betrokkene 2] hiervoor werd gezorgd.
Opeisbaarheidsclausule”(p. 2) van het testament ten gunste van [betrokkene 2] . Dat één van de opeisbaarheidsgronden zich zou voordoen is gesteld noch gebleken. [betrokkene 2] is overigens wel bevoegd tot (enige) uitkering, gezien artikel B3 (
“Betaling geldvordering”)(p. 3), in ieder geval conform de aldaar opgenomen regels.
Deze voorziening, met best verreikende consequenties voor de komende tientallen jaren voor [betrokkene 2] - met een voorshands aangenomen periodieke informatieplicht van [betrokkene 2] alsook van haar kinderen richting in het bijzonder de kinderen [erflater] - en de kinderen van [betrokkene 2] , met nieuwe procedures in het verschiet gezien de thans al zeer slechte verhoudingen, ook na overlijden te zijner tijd van [betrokkene 2] , is voor het hof reden geweest partijen in overweging te geven voor de toekomst via een schikking van elkaar ‘losgekoppeld’ te worden. Het testament (artikel B.3, p. 3, zie hiervoor) biedt daar - zonodig - ook alle ruimte toe. Partijen hebben daarover klaarblijkelijk gesproken maar er is (nog) geen minnelijke oplossing bereikt, mogelijk omdat de uitkomst van deze procedure nog ongewis was.
Het hof geeft thans partijen wederom in overweging, nu mede aan de hand van deze tussenbeslissing, te trachten alsnog een dergelijke oplossing te bereiken waarbij partijen van elkaar worden “verlost”.
In zoverre is ook een voorziening voor [betrokkene 1] getroffen. Voor enige nadere correctie van de boedelbeschrijving acht het hof geen termen aanwezig.
3.8.9.2. Waar [verzoeker 1] en [verzoeker 2] stellen dat door deze laatste akte huwelijksvoorwaarden een vermogensverschuiving is bewerkstelligd, is dat in algemene zin correct. Namelijk de helft van het uitsluitend aan erflater toekomende vermogen (behalve levensverzekeringen) is daardoor toegevloeid aan [betrokkene 2] (en omgekeerd).
Erflater had overigens hetzelfde kunnen bewerkstelligen door [betrokkene 2] tot enig erfgenaam te benoemen in zijn testament als op dezelfde dag aangepast. Mogelijk vanwege redenen van successiebelasting heeft erflater die route niet bewandeld, maar dat is voor de onderhavige zaak niet van belang. Net zomin als de vraag of de 180 dagen regel in het kader van successiebelasting hier toepassing vindt of niet (zie hiervoor onder “algemeen”).
Eventuele aantasting van de legitieme portie van [betrokkene 1] en/of [verzoeker 2] is niet genoemd noch becijferd.
Er is geen beroep gedaan op artikel 4:67 BW Pro (bijvoorbeeld sub a en/of c en/of e). Aangaande het inroepen van een inbreuk op de legitieme portie binnen de vervaltermijn van artikel 4:85 lid 1 BW Pro (afgelopen op [datum] 2020) is niets gesteld of gebleken. Het hof kan en zal niet zelfstandig zich daarin gaan verdiepen en/of gaan rekenen, mede gezien het mogelijk effect van artikel 4:91 BW Pro. Op dit punt bestaat dus geen aanleiding voor correctie van de boedelbeschrijving.
Ten aanzien van de waardering van de BV en alle onderliggende posten als boekhoudkundig verwerkt acht het hof dergelijke bijzondere omstandigheden met effect voor de omvang van de boedel niet nader geduid. Er zijn vooral vragen gesteld en naar aanleiding van de antwoorden weer nieuwe vragen. Dat kan maar leidt niet tot een effect op de omvang van de boedel.
van rechtswegede goederen van de nalatenschap – waarvan zij al ongedeeld eigenaar was ten aanzien van de helft, behoudens levensverzekeringen, sinds juni 2015 – verkregen. De erfgenamen hebben alleen een vorderingsrecht als bedoeld in artikel 4:13 lid 3 BW Pro - waarvan slechts de
omvangwordt bepaald door de diverse erfdelen omschreven in artikel B1 (“
Erfstelling”)- en deze procedure ziet erop de omvang van die respectieve vordering(en) te bepalen.
Kortom de erfgenamen hebben niet (de aandelen van) de BV. Van een vruchtgebruikssituatie was en is geen sprake. Dat kwam in het verleden wel voor (en thans ook nog af en toe) wanneer het testament een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling bevat (zie art. 4:1167 BW Pro – oud e.v.) maar van dat systeem is de wetgever in 2003 afgestapt, en erflater heeft daarvoor (ook) niet gekozen.
ten onrechtehet aan de orde zijnde bedrag heeft ontvangen en verrekend met de hypothecaire schuld van erflater is niet overgelegd.
Daartoe is vereist te beschikken over de stukken die zien op de herfinanciering of overname van de vordering van de hypothecaire schuld.
om vast te kunnen stellen wie bij de klaarblijkelijk afgesloten nieuwe lening als geldlener is opgetreden en of dan wel hoe verpanding van enige polis al dan niet heeft plaatsgevonden.Tevens heeft het hof aangegeven: ”
Verder rept Direktbank van een polis met nummer
de beoordeling van de uitkering op de polis [nummer 2] (producties 38 en 39) uitsluitend(moet)
worden beoordeeld op defeitelijke omstandigheden.”
Het bovenstaande houdt – anders dan het voorlopig oordeel van het gerechtshof – in dat erflater niet bevoegd is tot de rechten van de verzekeringnemer [betrokkene 2] c.s. en dat uitsluitend zij de rechten tot begunstiging en overdracht zelfstandig kan uitvoeren. [betrokkene 2] c.s. heeft geen pandrecht verleend aan Direktbank als rechtsopvolger van AMEV Praktijkvoorziening NV. ASR heeft de polis terecht uitgekeerd aan mevr. [betrokkene 2] c.s. als eerste begunstigde” .
nietuitgekeerd aan [betrokkene 2] c.s., maar juist aan Direktbank, naar thans gebleken daarbij optredend als uitvoerder van de hypotheekverstrekker ASR, als opvolger van AMEV . Kortom, [betrokkene 2] heeft niet zelf het geld doorbetaald maar ingestemd met deze – in haar ogen – onjuiste uitbetaling, en [betrokkene 2] wenst dat dit vervolgens wordt gecorrigeerd in het kader van de bepaling van de vordering van de erfgenamen (omvang nalatenschap)
.
nade – voorshands aangenomen - verpanding als genoemd door het hof, waarbij per althans sinds 3 augustus 2004 [betrokkene 2] c.s. als verzekeringnemer en eerste begunstigde vermeld staat?
De akte van geldlening (productie 37 zijdens [betrokkene 2] c.s.) noemt ook
“alle rechten en vorderingen uit de tussen de schuldenaar( [erflater] / erflater, GHSHE)
en AMEV Levensverzekering N.V. gesloten overeenkomst van levensverzekering onder polisnummer –(handgeschreven)
[nummer 2] = [nummer 3] ”en is getekend op 25 juni 2004
.Dit geldt evenzeer voor de akte van inpandgeving (productie 38 zijdens [betrokkene 2] c.s.)
,en toen, op 25 juni 2004, was nog geen sprake van splitsing.
Van deze volledige verpanding is mededeling gedaan aan AMEV - zoals artikel 11.2 van de voorwaarden AMEV Garantieverzekering vereist, zie productie 40 zijdens [betrokkene 2] c.s. – en die mededeling is blijkens het polisblad op 3 augustus 2004 door AMEV ontvangen en daarmee is de verpanding perfect. Althans dat oordeelt het hof voorshands. De splitsing waar [betrokkene 2] c.s. zich op beroept is – althans zo lijken de diverse stukken rond de levensverzekeringen te leren – eerst vijf weken later en wel eveneens op 3 augustus 2004 tot stand gebracht.Maar dat maakt erflater niet beschikkingsonbevoegd
op25 juni 2004.
alle rechten”, geen effect meer heeft en het overlijdensrisicodeel betrekking hebbend op erflater als verzekerd lijf/ verzekerde alleen nog (maar) toe zou komen aan [betrokkene 2] c.s..
naderheeft afgespeeld en
vervolgensis vermeld komen te staan aangaande wie verzekeringnemer is en wie gerechtigde is van polis [nummer 2] . Voorshands lijkt echter die schets minst genomen
onvollediggezien de gebeurtenissen op 25 juni 2004.
Als vervolgens ASR dan gaat zoeken naar een door [betrokkene 2] c.s. ondertekende pandakte zullen ze die inderdaad niet hebben gevonden. In zoverre is het mailbericht (productie 43) niet onjuist, maar onvolledig. Maar dat maakt het betoog “er is helemaal niet verpand” niet aanstonds juist, zoals uit bovenstaande blijkt. Het mailbericht sluit immers niet de situatie uit dat voordat [betrokkene 2] verzekeringnemer werd de betreffende polis al was verpand. Uit het mailbericht lijkt voorts te blijken dat door Direktbank en /of ASR ( AMEV ) niet meer beschikt wordt over alle stukken (zie ook hierna).
Mevrouw [medewerker] van ASR (team Leven) (zie productie 43 zijdens [betrokkene 2] c.s.) rept zelf van een reactie waarbij zij “
op basis van de mij ter beschikking staande stukken nu achteraf moet concluderen”, maar onduidelijk is welke stukken zij toen ter beschikking had.
voordat[betrokkene 2] c.s. verzekeringnemer/gerechtigde werd?” geen onduidelijkheid meer bestaat. Natuurlijk zou het hof ervoor kunnen kiezen om het uitblijven van een bericht van Direktbank, als uitdrukkelijk door het hof verzocht, te duiden als onwil van [betrokkene 2] c.s. en dus meteen aan te nemen dat de polisuitkering volledig in de nalatenschap is gevallen, zodat de gedeeltelijke aflossing van de hypothecaire lening terecht heeft plaatsgevonden en geen correctie behoeft in het kader van de bepaling van de omvang van de boedel.
één maalin de gelegenheid stellen duidelijkheid te verkrijgen van ASR, en wel door aan deze maatschappij
de (gehele) onderhavige beschikking plus de hierna te noemen stukkenvia deurwaardersexploot (met terstond te versturen afschrift aan [verzoeker 1] en [erflater] ) voor te leggen aan ASR en de hierna te formuleren vraag te stellen:
productie 37 (aktes van geldlening € 400.000,= (spaarhypotheek) en € 250.000,=
productie 38 (akte van inpandgeving d.d. 25 juni 2004);
Derhalve
vóórdat op de polis alsnog een wijziging werd doorgevoerd qua verzekeringnemer van het deel dat zag op het leven van [erflater] , erflater.
Is deze conclusie juist dan wel onjuist? Indien uw antwoord luidt ‘onjuist’ dan wenst het hof graag een toelichting te verkrijgen aangaande de betekenis van de pandakte van 25 juni 2004, toen - althans zo lijkt het aan de orde in de visie van het hof - [erflater] , erflater nog alleen verzekeringnemer was en klaarblijkelijk alle rechten verpandde.
Is de betekenis van die akte achterhaald door de gebeurtenissen / wijzigingen op 3 augustus 2004 en is dus de positie van AMEV (ASR) toen verslechterd?”
De kosten van beveiliging zijn - aldus begrijpt het hof - door [betrokkene 2] zelf gedragen.
De kosten als zodanig (€ 8.966.48) komen het hof niet buitensporig voor. De kosten ven beveiliging zijn – onweersproken – door [betrokkene 2] gedragen. Op dit punt ziet het hof geen reden voor correctie.
Het hof zal dan ook daar verder geen aandacht aan geven.
Uit de stukken lijkt ook te blijken dat - blijkbaar op kosten van de nalatenschap – substantiële kosten (€ 8.566,80? Of meer?) zijn gemaakt ter zake van advies om vast te stellen dat de uitkering van ASR ad € 400.000,=
nietin de boedel zou vallen. Daarmee lijkt voorshands uitsluitend of minstens in zeer overwegende mate het eigen belang van [betrokkene 2] te zijn gediend, en niet het belang van de boedel.
per posteen heldere toelichting op welke werkzaamheden de respectieve post ziet en welk doel die heeft betroffen, en wel in de akte die reeds in onderdeel 3.8.12.7.7. is genoemd. Dit geldt uiteraard in het bijzonder voor post 32 en post 44, welke laatste post voorshands lijkt te duiden op alle of veel kosten betreffende de onderhavige procedure.
4.De beslissing
uiterlijk op donderdag 7 juli 2022een akte mogen indienen als bedoeld in de onderdelen
3.8.12.7.7. en 3.8.15.4;
uiterlijk op 4 augustus 2022een antwoordakte mogen indienen;