Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 11 februari 2020 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 13 mei 2020;
- de memorie van grieven tevens houdende akte van eiswijziging;
- de memorie van antwoord tevens memorie van eis in incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- het pleidooi, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
6.De beoordeling
Erka wenst een aantal assets over te nemen van Parma zoals beschreven bij de ‘Uitgangspunten Asset-deal’
Parma zal in ruil hiervoor een aandelenbelang verkrijgen in Erka en/of een lening verstrekken aan Erka, zoals beschreven bij de ‘Uitgangspunten Asset-deal’
Partijen streven ernaar om bovenstaande per 1 juli 2015 te bekrachtigen middels een formele overgang na ondertekening van het contract daartoe
. (…). Uiteindelijk is voorgesteld om de goodwill te verhogen van 1 mo naar 1,3 mo en die € 300.000 zou dan het resultaat zijn van de exploitatie over de periode tussen contract datum 1 januari en de datum waarop daadwerkelijk was afgesproken dat de exploitatie zou overgaan.
heeft voorgesteld om die € 300.000 af te boeken op de lening van € 500.000, maar [persoon A] stelt voor om die lening af te boeken op de BR lening. Uiteindelijk was de lening nodig om een oude financierder af te kopen en daarmede de vrije beschikking over de aandelen te verkrijgen. Een administratief voordeel daarbij is dat [persoon A] dan in ieder geval ten aanzien van de € 200.000 lening BR die in 2017 moest worden afgelost, nu al heeft voldaan, als je met deze boeking akkoord bent.
zou jouw onderstaande mail niet kloppen en hij zegt dat hij 2,6 a 2,9 Mio in BWFM zitten.
NJ2000/21).
“BRI heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd …”). Het blijkt ook uit de aanhef van de zin iets onder het midden van rechtsoverweging 4.15 (
“BRI stelt zich op het standpunt dat …”) alsook uit wat verder in die zin is verwoord. Het blijkt daarnaast uit de aanhef van rechtsoverweging 4.16 (
“BRI beroept zich aldus daarop dat …). Voor zover Middenmeer het in rechtsoverweging 4.15 uiteengezette anders begrijpt, berust dat op een onjuiste lezing.
assetsuiterlijk op die datum geëffectueerd zou moeten zijn. Daarvoor vindt het hof van belang dat op blad 1 van de intentieverklaring het volgende is te lezen:
“Partijen streven ernaar om bovenstaande per 1 juli 2015 te bekrachtigen middels een formele overgang na ondertekening van het contract daartoe”. Ook wijst het hof op wat onder 3.3 van de intentieverklaring is opgenomen:
“Partijen zullen een maximale inspanning doen om de uitgangspunten in deze intentieverklaring om te zetten in een definitief contract voor overgang van de assets zoals bedoeld met als streefdatum 1-7-2015, doch per uiterlijk per 1-9-2015.”De gebruikte bewoordingen in het eerste deel van deze bepaling (
“een maximale inspanning”) duiden erop dat alles wat erna volgt onderdeel is van een op partijen gezamenlijk rustende inspanningsverplichting, en niet een resultaatsverplichting. In dat verband vindt het hof verder van belang dat BRI in haar gedingstukken in hoger beroep ook spreekt over 1 juli 2015 als een streefdatum voor de afronding van de transactie (memorie van grieven tevens houdende akte van eiswijziging, randnummer 11). Dat geldt ook voor de alternatief genoemde datum van 1 september 2015 (memorie van grieven tevens houdende akte van eiswijziging, randnummer 13, eerste zin).
“De afspraak is ook dat de door Boteba te betalen goodwill met € 288.845,20 toeneemt, evenals de schuld.”Niet in geschil is dat met Boteba wordt gedoeld op BWF 1. Mede gelet daarop is zonder nadere toelichting, die door BRI niet is gegeven, uit het geheel van deze e-mail niet af te leiden dat is overeengekomen dat Middenmeer het genoemde bedrag aan brutomarge van € 288.845,20 aan BWFM Holding zou betalen ter compensatie van misgelopen omzet.
“De betaalverplichting van BWFM aan Middenmeer gaat omhoog met 300K”. Naar het oordeel van het hof duidt dit er zonder concrete nadere toelichting, die ontbreekt, nu juist niet op dat partijen zijn overeengekomen dat Middenmeer aan BWFM Holding een bedrag zou betalen ter compensatie van enigerlei contractuele tekortkoming, zoals BRI stelt.
“de koop en verkoop van de gehele voorraad van Parmalux aan BWFM”.