Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351852 / HA ZA 19-702)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven van 1 december 2020, met producties 8 t/m 12
- de memorie van antwoord van 9 maart 2021, met producties 16 en 17
- de mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van [appellant] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
3.De beoordeling
AKTE VAN GELDLENING
[appellant](…), gehuwd met mevrouw [persoon B] ;
[X] Beheer B.V.(…)
schuldenaar”;
2.[geïntimeerde] (…),
de schuldeiser”,
[persoon B](…), gehuwd met de heer [appellant] voornoemd.
€ 8.128,-
4.De uitspraak
- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 172.694,52, vermeerderd met de contractuele rente van 9% per jaar met ingang van 27 december 2016 tot de dag van volledige betaling, alsmede een bedrag van € 2.501,95 aan buitengerechtelijke kosten, en
- wijst af de gevorderde veroordeling van [appellant] tot medewerking aan het vestigen van een 3e hypotheekrecht door [appellant] op de onroerende zaken genoemd in de akte van geldlening;