Uitspraak
5.Het verdere verloop van het geding
- het tussenarrest van 19 oktober 2021;
- de akte van [appellante] van 16 november 2021 met producties;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 14 december 2021.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante vordert schadevergoeding van de bewindvoerder wegens het niet voldoen van zorgpremies aan VGZ over de maanden januari tot en met mei 2011, wat leidde tot een veroordeling van appellante tot betaling aan VGZ.
Het hof stelde in een tussenarrest dat over de meeste verwijten onvoldoende grond bestond voor toewijzing, maar liet de kwestie van de VGZ premies open. Appellante stelde dat er voldoende middelen waren om de premies te betalen, ondanks een tijdelijke stopzetting van haar bijstandsuitkering, en leverde rekeningafschriften aan. De bewindvoerder voerde aan dat de middelen niet beschikbaar waren en dat betalingen voor bewindvoering uit een bijzondere bijstand kwamen die niet voor andere doeleinden kon worden gebruikt.
Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de bewindvoerder toerekenbaar tekort was geschoten. De overgelegde stukken boden geen overtuigend bewijs dat er voldoende middelen waren voor de premiebetaling, terwijl de bewindvoerder een aannemelijke verklaring gaf voor het doorbetalen van de bewindvoering. Daarom werd de vordering afgewezen en het eerdere vonnis bekrachtigd.
Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief griffierecht, salaris advocaat en nakosten, met wettelijke rente. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2022.
Uitkomst: De vordering van appellante tot schadevergoeding wegens niet-betaling van zorgpremies door de bewindvoerder wordt afgewezen en het vonnis van 20 december 2018 bekrachtigd.