Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 8132068 \ CV EXPL 19-7525)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven met productie 1;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- Op 17 juni 2019 reed [appellant] met zijn auto over de Martinusstraat in [plaats] . [appellant] kwam van de Hubertusstraat en reed in noordelijke richting, in de richting van de Houtstraat.
- [geïntimeerde] bevond zich op dat moment met haar auto ook in de Martinusstraat. Zij zat achter het stuur en zij wilde haar 12 jaar oude zoon, die zich als passagier in haar auto bevond, voor zijn judotraining afzetten bij de aan de Martinusstraat gelegen dojo “ [dojo] ”. De toegang tot de dojo is, bezien vanuit de rijrichting van [appellant] , gelegen aan de rechterzijde van de Martinusstraat.
- Vervolgens is in de Martinusstraat ter hoogte van de toegang van de dojo een aanrijding ontstaan tussen de door [appellant] bestuurde auto en een auto waarin [geïntimeerde] achter het stuur zat. De rechtervoorzijde van de auto van [appellant] is daarbij aanraking gekomen met de linkerachterzijde / linkerzijde van de auto van [geïntimeerde] .
- Bij de aanrijding is schade ontstaan aan beide auto’s.
- De aanrijding is, voor zover nu bekend, niet waargenomen door andere getuigen dan [appellant] , [geïntimeerde] en de zoon van [geïntimeerde] .
- Bij e-mail van 18 juni 2019 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:
- Op [appellant] rust de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 54 RVV Pro heeft gehandeld (rov. 4.2 en 4.3).
- Of de uitmonding van de dojo een inrit is of niet kan in het midden blijven (rov. 4.5).
- Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] voorafgaand aan de aanrijding achteruit reed (rov. 4.6.1 tot en met 4.7).
- Voor het verstrekken van een bewijsopdracht aan [appellant] bestaat geen aanleiding (rov. 4.8).
- Omdat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] voorafgaand aan de aanrijding achteruit reed, kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] tegenover [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering van [appellant] moet daarom worden afgewezen (rov. 4.9).
- de positie van de auto’s van [appellant] en [geïntimeerde] direct na de aanrijding;
- de vraag of de auto van [geïntimeerde] door de klap van de aanrijding is verplaatst;
- het schadebeeld aan de auto’s van [appellant] en [geïntimeerde] ;
- de inhoud van het aanrijdingsformulier;
- de schriftelijke verklaring van de zoon van [geïntimeerde] .
- het door [geïntimeerde] gevoerde subsidiaire verweer dat, zelf als zij in strijd met artikel 54 RVV Pro heeft gehandeld, [appellant] in belangrijke mate eigen schuld heeft aan het ontstaan van de aanrijding, zodat de schade voor zijn eigen rekening moet blijven;
- het door [geïntimeerde] meer subsidiair gevoerde verweer tegen de hoogte van het gevorderde schadebedrag.