ECLI:NL:GHSHE:2022:2026
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goed vertrouwen en onvoldoende nakoming
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €10.498,75, waaronder preferente schulden aan het UWV en het CJIB. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en dat hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
De rechtbank motiveerde haar oordeel onder meer met het feit dat de grootste schuld aan het UWV voortkomt uit een overtreding van de mededelingsplicht, en dat boetes van het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan. Tevens was er onduidelijkheid over de psychosociale problematiek van appellant en het ontbreken van een stabiliteitsverklaring van de hulpverlenende instantie. Bankafschriften toonden bovendien transacties die duidden op leningen of schenkingen, wat de financiële stabiliteit betwijfelbaar maakte.
In hoger beroep voerden appellant en zijn beschermingsbewindvoerder aan dat appellant wel te goeder trouw had gehandeld en de verplichtingen zou nakomen, mede door verbeterde financiële situatie en inspanningen van de beschermingsbewindvoerder. Het hof oordeelde echter dat de grieven onvoldoende waren onderbouwd, dat relevante stukken ontbraken, en dat de psychosociale problemen niet aantoonbaar beheersbaar waren. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde.
Het hof verklaarde de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk, bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.