Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
1.Stack NewCo B.V.,
3.Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/357704 / HA ZA 19-264)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 7 mei 2020;
- de memorie van grieven van [appellanten] van 28 juli 2020 met producties;
- de memorie van antwoord van Stack NewCo en Cumberland van 6 oktober 2020 met producties;
- de memorie van antwoord van Nationale-Nederlanden van 6 oktober 2020;
- het schriftelijk pleidooi op 16 november 2021, waarbij partij pleitnotities hebben overgelegd, [appellanten] en Stack NewCo en Cumberland met producties.
3.De beoordeling
De notaris houdt een bedrag van € 416.981,71 in depot, hierna te noemen: ‘het
Partij 1 [=Nationale-Nederlanden] en partij 2 [=Stack NewCo] verkrijgen hierdoor een voorwaardelijke vordering op de notaris.
Deze vordering wordt op een van de hierna vermelde wijzen onvoorwaardelijk:
na ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van partijen tot uitbetaling van het depotbedrag, dan wel
na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of een arbitraal vonnis met betrekking tot de verdeling van het depotbedrag.
paritas creditorumgeen nietigheid van de depotovereenkomst meebrengt. Dat is juist, zodat van nietigheid van de depotovereenkomst op de door [appellanten] aangevoerde grond geen sprake is (artikel 7:902 BW Pro; gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst naar inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde of goede zeden). De uitkering is gebaseerd op de depotovereenkomst zodat ook geen sprake is van toepasselijkheid van artikel 6:212 BW Pro.