ECLI:NL:GHSHE:2022:2234

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
6 juli 2022
Zaaknummer
21/01503
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring verzet tegen kennelijk niet-ontvankelijke verklaring hoger beroep wegens intrekking

Belanghebbende stelde dat het hoger beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard door het hof, omdat het hoger beroep op dat moment al was ingetrokken. Het hof nam in de verzetprocedure kennis van de intrekkingsbrief die niet eerder in het dossier zat, en ging om proceseconomische redenen uit van de juistheid van de intrekking.

Daardoor was de uitspraak van 16 maart 2022 formeel onjuist omdat het hof geen uitspraak meer had mogen doen over het ingetrokken hoger beroep. Desondanks was onduidelijk welk procesbelang met het aanvechten van deze uitspraak werd gediend, aangezien belanghebbende op de inhoudelijke punten niet in een betere positie kwam.

Het hof concludeerde dat het verzet vooral was ingesteld om een proceskostenvergoeding te verkrijgen, wat onwenselijk is en strijdig met de goede procesorde. Daarom werd het verzet gegrond verklaard maar werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

De uitspraak werd gedaan door raadsheer Pijnenburg en griffier Van Rooij-Beckers en is niet vatbaar voor cassatie.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd, maar er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01503
Uitspraak op het verzet van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 16 maart 2022 (hierna: uitspraak van 16 maart 2022) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 november 2021, nummer BRE 20/8336, in het geding tussen belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oosterhout,
hierna: de heffingsambtenaar.

De behandeling van het verzet

Het hof heeft schriftelijk, bij brieven van 25 maart 2022, aan partijen medegedeeld dat de zitting achterwege zal worden gelaten tenzij partijen respectievelijk één van de partijen binnen een hiertoe gestelde termijn verklaren op zitting gehoord te willen worden. Het hof heeft van geen van de partijen een reactie op voornoemde brieven ontvangen. Het verzet is om deze reden afgedaan zonder mondelinge behandeling. Partijen zijn er bij brieven van 7 juni 2022 van op de hoogte gesteld dat het onderzoek is gesloten.

Gronden

1. Bij uitspraak van 16 maart 2022 heeft het hof het door belanghebbende ingestelde hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn voldoen van het door hem verschuldigde griffierecht.
2. Belanghebbende is tijdig tegen deze uitspraak in verzet gekomen.
3. Belanghebbende heeft in verzet aangevoerd dat het hoger beroep waarop de uitspraak van het hof van 16 maart 2022 ziet bij brief van 3 februari 2022 is ingetrokken. Belanghebbende heeft een afschrift van die brief bij het verzetschrift gevoegd. Wegens de intrekking van het hoger beroep had het hof in die hoger beroepsprocedure geen uitspraak meer mogen doen. Dit leidt volgens belanghebbende tot gegrondverklaring van het verzet, vernietiging van de uitspraak van 16 maart 2022 en toekenning van een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedure.
4. Het hof stelt voorop dat het hof eerst in de verzetprocedure kennis heeft genomen van de brief van 3 februari 2022 en de hierin besloten liggende intrekking van het hoger beroep. Deze brief maakte derhalve geen onderdeel uit van het procesdossier waarover het hof op het moment dat de uitspraak van 16 maart 2022 werd gewezen, beschikte. In verzet heeft belanghebbende volstaan met overlegging van een afschrift van de brief van 3 februari 2022 zonder bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat deze brief op of omstreeks die datum aan het hof is verzonden. Het hof zal evenwel geloof hechten aan de verklaring van belanghebbende dat voornoemde brief door hem aan het hof is verzonden. Kennelijk is de brief na verzending door belanghebbende in het ongerede geraakt.
Om proceseconomische redenen zal het hof ervan uitgaan dat het hof voorafgaande aan de bestreden uitspraak van 16 maart 2022 voornoemde brief van belanghebbende heeft ontvangen en derhalve op de hoogte was van de intrekking van het hoger beroep.
5. Alhoewel deze veronderstelde voorafgaande intrekking van het hoger beroep tot gevolg heeft dat de uitspraak van 16 maart 2022 (formeel gezien) onjuist is aangezien geen uitspraak gedaan had dienen te worden, is volstrekt onduidelijk welk procesbelang met het aanvechten van deze uitspraak is gediend. Belanghebbende kan hierdoor immers op het punt van de aan hem opgelegde naheffingsaanslag en (door de rechtbank gegeven) beslissingen met betrekking tot immateriële schade, (proces)kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep en griffierecht niet in een betere positie komen te verkeren. Het hof acht derhalve aannemelijk dat het instellen van verzet uitsluitend voortvloeit uit de wens om een proceskostenvergoeding te ontvangen voor de verzetprocedure. Het hof acht het uitsluitend vanuit dit financiële oogmerk aanhangig maken van een dergelijke procedure onwenselijk en in strijd met de goede procesorde, aangezien dit onnodig beslag legt op de rechterlijke macht en daarmee (indirect) ook op de algemene middelen. Het voorgaande vormt voor het hof aanleiding om toekenning van een kostenvergoeding voor de onderhavige procedure, ondanks de gegrondverklaring van het verzet, wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht achterwege te laten.
Tussenconclusie
6. De slotsom is dat het verzet tegen de uitspraak van 16 maart 2022 gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
7. Het hof kent voor de onderhavige procedure geen kostenvergoeding toe. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 5 voor de gronden die aan deze beslissing ten grondslag liggen.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet gegrond.
De uitspraak is gedaan door P.A.M. Pijnenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad en staat ook overigens geen rechtsmiddel open.