Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 4] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 mei 2020 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 17 juni 2020;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de bij H3-formulier van 6 april 2022 door mr. Diks toegezonden productie 7, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
- de mondelinge behandeling, waarbij mr. Schipper een pleitnotitie heeft overgelegd;
- de H-formulieren van partijen van 16 mei 2022 waarin is aangeven dat zij geen overeenstemming hebben bereikt.
6.De beoordeling
16 augustus 2011 over haar nalatenschap beschikt. In dit testament heeft zij - kort gezegd - [geïntimeerde 1] tot enig erfgenaam benoemd. Voorts heeft zij aan [appellante] een bedrag gelegateerd. Beide makingen zijn tweetrapsmakingen waarbij [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als verwachters zijn aangewezen. Verder heeft moeder [geïntimeerde 1] tot executeur benoemd. [geïntimeerde 1] heeft de nalatenschap en ook de benoeming tot executeur aanvaard.
Bij vonnis van 20 april 2016 heeft de kortgedingrechter onder meer [geïntimeerde 1] veroordeeld om voor 1 juli 2016 (volledige) uitvoering te geven aan het vonnis van 23 december 2015, onder verbeurte van een dwangsom van € 750,- per dag tot een maximum van € 100.000,-. Tevens is [geïntimeerde 1] veroordeeld om bij wege van voorschot € 300.000,- aan [appellante] te betalen.
Hieruit kan worden afgeleid dat de taxateur van de belastingdienst de getaxeerde waarde van € 390.000,- in september 2005 als uitgangspunt voor de vaststelling van de overdrachtsbelasting heeft genomen. De enkele omstandigheid dat de belastingdienst volgens [appellante] in 1998, bij de waardering van de omvang van de nalatenschap van vader in het kader van de erfbelasting, van een waarde van het pand van fl. 700.000,- (€ 317.647,50) is uitgegaan maakt dit uitgangspunt niet onaannemelijk. Bij dit oordeel is het volgende betrokken.
De door [appellante] genoemde WOZ-waarden van het pand per 1 januari 2007 (€ 797.000,-) en 1 januari 2008 (€ 836.000,-) vormen geen, althans onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de taxatiewaarde per 23 september 2005. [geïntimeerde 1] heeft in dit verband naar voren gebracht dat de WOZ-waarde niets zegt over de waarde van het pand, omdat naar verschillende panden in de buurt wordt gekeken. Met bijzondere omstandigheden zoals achterstallig onderhoud wordt geen rekening gehouden, terwijl in dit geval de staat van het pand slecht was en zelfs de riolering was verzakt, aldus [geïntimeerde 1] . Het hof stelt vast dat dit aansluit bij het taxatierapport van 23 september 2005, waarin staat dat het pand en de constructie van het gebouwde, voor zover visueel waarneembaar in het algemeen in een matige staat van onderhoud verkeerde.
Ook het beroep van [appellante] op de door haar in het geding gebrachte rapporten van 4 februari 2013 van [taxateur] , die de waarde in 2007 heeft bepaald op € 800.000,- en register taxateur [persoon E] , die de waarde per 1 januari 2007 heeft bepaald op
Het betoog van [appellante] dat de waarde van het pand op grond van de huurkapitalisatiemethode in 2007 € 1.025.500,- bedroeg is niet met stukken onderbouwd, terwijl [geïntimeerden] deze berekening gemotiveerd heeft betwist. Volgens [geïntimeerde 1] was sprake van achterstallig onderhoud waardoor de in aanmerking genomen huurprijs niet klopte, is [appellante] van een te groot oppervlak winkelruimte en een te hoge kapitalisatiefactor uitgegaan, heeft het pand veel leeggestaan en zijn bij en na de overdracht in 2007 huurders failliet gegaan.
Een andere grondslag voor toewijzing van de vordering met betrekking tot de giften is door [appellante] in hoger beroep niet gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] – gezien de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 1] - de vordering onvoldoende heeft onderbouwd.