Ora Group B.V. verkocht een woning aan geïntimeerden en verhuurde deze tussen 1 augustus 2017 en 9 april 2018 tegen €800 per maand. Ora Group stelde dat geïntimeerden slechts de huur van augustus 2017 hadden betaald en vanaf september 2017 geen huur meer voldeden. Geïntimeerden betwistten dit en stelden dat zij de huur contant betaalden en daarnaast €4.450,- hadden voldaan.
De kantonrechter oordeelde dat Ora Group niet voldeed aan haar stelplicht en kende slechts een deel van de vordering toe. Ora Group ging in hoger beroep en voerde aan dat de overige betalingen betrekking hadden op renovatiekosten en niet met huur te verrekenen waren. Het hof stelde vast dat geïntimeerden onvoldoende bewijs leverden voor contante betalingen en dat de overige betalingen niet tot verrekening konden leiden.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees de volledige huurachterstand van €5.813,36 toe met wettelijke rente vanaf 24 november 2019, en wees de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten af wegens niet-naleving van wettelijke vereisten. Geïntimeerden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en de proceskosten van beide instanties.