Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7452862 / CV EXPL 19-98)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van eis (met producties 1 en 3);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met productie 1);
- de akte naar aanleiding van memorie van antwoord in het incidenteel beroep (met productie 3);
- appellante heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte;
- de mondelinge behandeling, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
over te gaan.”
- dat de verjaring van de vordering bij e-mailbericht van 14 februari 2013 is gestuit, zodat de vordering in beginsel op 15 februari 2018 is verjaard, tenzij voordien door of namens [appellante] een stuitingshandeling is verricht (rov. 4.3);
- dat niet gebleken is dat de verjaring voor 15 februari 2018 is gestuit, [appellante] heeft wel gesteld dat haar verzekeraar [geïntimeerde] in 2014 en 2015 nog zou hebben aangesproken tot vergoeding van de schade, maar deze correspondentie is niet in het geding gebracht, terwijl evenmin is toegelicht wanneer die brieven zijn verstuurd, wat daarvan de inhoud zou zijn, en waarom deze niet bij de comparitie in het geding zijn gebracht (rov. 4.3);
- dat het bewijsaanbod in het licht daarvan te laat is gedaan, zodat de kantonrechter daaraan voorbijgaat (rov. 4.3);
- dat daaruit volgt dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring slaagt (rov. 3.5).