In deze civiele kortgedingprocedure vordert appellant de opheffing van een conservatoir beslag op een paard, stellende dat hij eigenaar is geworden door koop en levering vóór het beslag. Geïntimeerde betwist dit en stelt eigenaar te zijn.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof stelt vast dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van de koop en levering, onder meer door het ontbreken van onafhankelijke bewijsstukken en het ontbreken van aanwijzingen dat appellant professioneel handelt in paarden.
Het hof overweegt dat de verklaringen van de verkoper, die een belang heeft in het geschil, niet voldoende zijn om de eigendomsoverdracht aannemelijk te maken. Ook ontbreekt bewijs van betaling, verzorgingskosten of een passende huisvesting.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van geïntimeerde bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van appellant bij opheffing. De proceskosten van het hoger beroep worden aan appellant opgelegd.