Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7984679 / CV EXPL 19-3413)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven met producties 1 tot en met 12;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord;
- de door [appellant] genomen akte met producties 13 en 14;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] te [plaats] . Enig eigenaar en bestuurder van [geïntimeerde] is, via [[Y B.V.]] , [persoon A] (hierna: [persoon A] ).
- Op 1 juli 2017 is de vennootschap onder firma [[---]] Autobedrijf vof opgericht. De vof had bij de oprichting twee vennoten, te weten [appellant] en [persoon B] (hierna: [persoon B] ).
- Bij huurovereenkomst van 25 september 2017 heeft [geïntimeerde] de bedrijfsruimte aan de [adres 1] te [plaats] voor een periode van vijf jaar, ingaande 1 januari 2018 en eindigend op 31 december 2022, verhuurd aan:
- Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (ROZ-model 2015) van toepassing verklaard.
- Volgens artikel 6.1 van de huurovereenkomst diende de huurder voor de ingangsdatum, voor zover thans van belang, een waarborgsom te betalen van € 7.260,--. Hiervan is uiteindelijk € 5.445,-- betaald en € 1.815,-- onbetaald gebleven.
- [geïntimeerde] heeft de facturen die zij voor betaling van de huur heeft verzonden, gericht aan “ [[---]] Autobedrijf”.
- Op 1 september 2018 is [persoon B] als vennoot uit [[---]] Autobedrijf vof getreden en is en [persoon C] (hierna: [persoon C] ) als vennoot tot [[---]] Autobedrijf vof toegetreden.
- In de tweede helft van 2018 heeft [persoon A] via e-mailberichten gericht aan het e-mailadres van [[---]] Autobedrijf vof herhaaldelijk gewezen op niet tijdig betaalde huur en verzocht om tijdige betaling van de huur.
- Op 31 december 2018 heeft een uitwisseling van Whatsapp-berichten plaatsgevonden tussen [persoon A] en [persoon C] waarin [persoon A] heeft gewezen op de nog niet volledig betaalde borgsom en op niet tijdig betaalde huur. In een van de berichten heeft [persoon A] aan [persoon C] het volgende meegedeeld:
- [[---]] Autobedrijf vof heeft het gehuurde omstreeks begin februari 2019 verlaten en haar onderneming met ingang van februari 2019 voortgezet vanaf een ander adres ( [adres 2] te [plaats] ).
- Bij e-mail van 13 februari 2019, 11:33 uur, heeft [persoon C] aan [persoon A] onder meer het volgende meegedeeld:
- Per 1 april 2019 is [[---]] Autobedrijf vof ontbonden en heeft [appellant] de onderneming ( [[---]] Autobedrijf) voortgezet als eenmanszaak. Het adres van de onderneming bleef daarbij vooralsnog [adres 2] te [plaats] .
- Bij brieven van 28 mei 2019 heeft de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellant] , [persoon C] en [[---]] Autobedrijf onder meer meegedeeld dat tot en met mei 2019 een huurachterstand bestaat van € 12.100,-- inclusief btw (hof: 5 maanden ad € 2.420,-- inclusief btw per maand). In de brieven worden de geadresseerden gesommeerd tot betaling van de genoemde huurachterstand en tot betaling van het op dat moment nog resterende bedrag van de overeengekomen borgsom.
- 1. ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst,
- 2. veroordeling van [appellant] om het bedrijfspand te ontruimen,
- 3. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 19.360,-- inclusief btw (hof: acht maanden ad € 2.420,-- inclusief btw per maand) wegens huurachterstand over de periode december 2018 tot en met juli 2019, onverminderd de verplichting tot betaling van de huurpenningen tot de dag dat de huurovereenkomst zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,
- 4. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 986,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,
- 5. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.815,-- aan restant borgsom,
- het gehuurde zonder een bericht aan [geïntimeerde] te verlaten en zonder het behoorlijk op te leveren;
- een huurachterstand te laten ontstaan van € 19.360,-- inclusief btw;
- de borgsom niet volledig te voldoen.
- [appellant] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend (rov. 2.5.1).
- [geïntimeerde] heeft als verhuurder de door haar gestelde huurovereenkomst gesloten met [persoon B] en [appellant] als huurders. De huurovereenkomst met [persoon B] is per 1 september 2018 beëindigd (rov. 2.5.2 eerste deel).
- [persoon C] is geen partij bij de huurovereenkomst. De vorderingen moeten jegens [persoon C] worden afgewezen (rov. 2.5.2, tweede deel).
- De akte vermeerdering van eis is niet aan [appellant] betekend. De vermeerdering van eis blijft buiten beschouwing (rov. 2.5.3).
- De vorderingen tegen [appellant] zijn toewijsbaar zoals in het dictum van het vonnis weer te geven, met afwijzing van het meer of anders gevorderde (rov. 2.5.4 tot en met 2.5.7).
- om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van het vonnis te ontruimen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de ontruiming indien hij daarmee in gebreke blijft;
- om aan [geïntimeerde] € 19.360,-- inclusief btw te betalen wegens huurachterstand over de periode december 2018 tot en met juli 2019, onverminderd de verplichting tot betaling van de huurpenningen tot de dag van beëindiging van de huurovereenkomst;
- om aan [geïntimeerde] € 968,60 te betalen ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2019;
- om aan [geïntimeerde] € 16.000,-- te betalen ter zake boetes;
- om aan [geïntimeerde] € 1.815,-- te betalen aan restant borgsom;
- dat [geïntimeerde] de huurovereenkomst niet gesloten heeft met [persoon B] en [appellant] in persoon, maar met [[---]] Autobedrijf vof, waarbij [persoon B] en [appellant] als vennoten namens de vof optraden;
- dat de vordering op [appellant] in persoon dus niet rechtstreeks gebaseerd is op de huurovereenkomst, maar op de uit artikel 18 WvK Pro voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijk van [appellant] voor de verbintenissen die [[---]] Autobedrijf vof is aangegaan;
- dat [appellant] daarom op zijn woonadres had moeten worden gedagvaard en dat de kantonrechter de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren omdat [appellant] op het adres van zijn eenmanszaak is gedagvaard.
- [geïntimeerde] heeft de maandelijkse huurfacturen gericht tot “ [[---]] Autobedrijf” en niet tot [persoon B] en [appellant] in persoon.
- De in de huurovereenkomst overeengekomen bestemming van het gehuurde betrof de ondernemersactiviteit van [[---]] Autobedrijf vof. Tussen alle betrokkenen stond vast dat het gehuurde voor die activiteit zou worden gebruikt.
- [geïntimeerde] heeft zich na het sluiten van de huurovereenkomst in correspondentie over de nog niet betaalde waarborgsom en over achterstallige huurbetalingen gericht tot “ [[---]] Autobedrijf”, althans tot het e-mailadres van [[---]] Autobedrijf vof.
- In de eerste alinea van de e-mail van [geïntimeerde] van 22 februari 2019 aan haar toenmalige gemachtigde schrijft [geïntimeerde] onder meer:
- In de brief die de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] op 28 mei 2019 ter zake onder meer de huurachterstand heeft gezonden aan [persoon C] , staat in de tweede alinea:
- In punt 8 van de inleidende dagvaarding betoogt [geïntimeerde] dat [persoon B] en [appellant] beide beherend vennoot van [[---]] Autobedrijf vof zijn of zijn geweest, en dat ze daarom ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de vof, waaronder de betalingen van de huur. Ook in deze bewoordingen – en in het feit dat [geïntimeerde] de inleidende dagvaarding mede heeft laten uitbrengen aan voormalig vennoot [persoon C] – ligt besloten dat [geïntimeerde] [[---]] Autobedrijf vof als haar wederpartij bij de huurovereenkomst beschouwd.