Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 1 december 2020 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2021;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 9;
- de memorie van antwoord met productie 1;
- de akte van [de B.V.] met productie 2;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [appellant] gestuurde producties 10 tot en met 12;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [de B.V.] gestuurde producties 3 tot en met 6;
- de op 30 juni 2022 gehouden mondelinge behandeling waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
6.De beoordeling
We are sending [appellant] to China for a period of 3 years to continue his work from China as a Project Manager.’(zie 6.2.4). Het ‘wij’ impliceert dat het werk in China een beslissing was van [de B.V.] en niet van [appellant] en ‘uitzenden’ impliceert in beginsel een terugkomst. Verder is het zo dat het contract met [de B.V.] China niet is geregeld door [de B.V.] China, maar door [de B.V.] . Dit contract is op initiatief van [de B.V.] tot stand gekomen, waarbij [de B.V.] de arbeidsvoorwaarden heeft bepaald, zo blijkt uit de e-mail van 28 januari 2013 (zie 6.2.6). In die e-mail wordt helemaal niets vermeld over een uitdiensttreding. Evenmin wordt daarin iets vermeld over een eindafrekening (opgebouwde vakantiebijslag). Wel wordt daarin vermeld dat de opgebouwde vakantiedagen worden overgedragen aan [de B.V.] China. Volgens [de B.V.] zou het logisch zijn dat die vakantiedagen bij haar waren gebleven wanneer de arbeidsovereenkomst had voortgeduurd. Dat is een terechte opmerking, maar anderzijds past die overdracht juist niet bij het standpunt van [de B.V.] , omdat in die e-mail niet wordt vermeld dat [de B.V.] die vakantiedagen zal afrekenen. [de B.V.] heeft ook niet aangevoerd dat zij die vakantiedagen toen heeft betaald aan [appellant] . Een en ander duidt dus niet op een uitdiensttreding.