In deze civiele procedure in hoger beroep staat de berekening van de legitieme portie centraal, waarbij de waarde van de echtelijke woning en een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ter discussie staan.
Het hof heeft appellant de mogelijkheid geboden om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de marktwaarde van de woning ten tijde van het overlijden van erflater meer dan €225.000 bedroeg. Appellant betwistte het taxatierapport dat de woningwaarde op €225.000 stelde, onder meer vanwege een hogere WOZ-waarde, maar slaagde er niet in dit overtuigend te bewijzen. Het hof staat toe dat appellant nog éénmaal getuigen kan laten horen om zijn stelling te onderbouwen.
Daarnaast heeft geïntimeerde een notariële hypotheekakte en bijbehorende stukken overgelegd waaruit blijkt dat erflater een schuld van €30.398,75 aan de SVB had wegens te veel ontvangen AOW-uitkering. Het hof acht deze schuld voldoende onderbouwd en neemt deze mee in de berekening van de legitieme portie.
Het hof bevestigt dat eerdere bindende beslissingen over de waardering van werken van erflater niet worden herzien, tenzij sprake is van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, hetgeen appellant niet heeft gemotiveerd. De zaak wordt aangehouden voor het bewijsverhoor van getuigen over de woningwaarde, waarna verdere beslissing volgt.