Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2022:3264

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
200.269.945_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekening legitieme portie en bewijsopdracht over waarde echtelijke woning en schuld SVB

In deze civiele procedure in hoger beroep staat de berekening van de legitieme portie centraal, waarbij de waarde van de echtelijke woning en een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ter discussie staan.

Het hof heeft appellant de mogelijkheid geboden om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de marktwaarde van de woning ten tijde van het overlijden van erflater meer dan €225.000 bedroeg. Appellant betwistte het taxatierapport dat de woningwaarde op €225.000 stelde, onder meer vanwege een hogere WOZ-waarde, maar slaagde er niet in dit overtuigend te bewijzen. Het hof staat toe dat appellant nog éénmaal getuigen kan laten horen om zijn stelling te onderbouwen.

Daarnaast heeft geïntimeerde een notariële hypotheekakte en bijbehorende stukken overgelegd waaruit blijkt dat erflater een schuld van €30.398,75 aan de SVB had wegens te veel ontvangen AOW-uitkering. Het hof acht deze schuld voldoende onderbouwd en neemt deze mee in de berekening van de legitieme portie.

Het hof bevestigt dat eerdere bindende beslissingen over de waardering van werken van erflater niet worden herzien, tenzij sprake is van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, hetgeen appellant niet heeft gemotiveerd. De zaak wordt aangehouden voor het bewijsverhoor van getuigen over de woningwaarde, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: Appellant krijgt nog éénmaal gelegenheid om bewijs te leveren dat de woningwaarde hoger is dan €225.000; schuld aan SVB van €30.398,75 wordt erkend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.269.945/01
arrest van 27 september 2022
in de zaak van
[bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] ,in hun hoedanigheid van bewindvoerders over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan
[de onderbewind gestelde],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.E.A.T. Oude Luttikhuis te Waalwijk,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 april 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/348124 / HA ZA 18-520 gewezen vonnis van 28 augustus 2019.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 19 april 2022;
  • de akte van [appellant] van 17 mei 2022;
  • de akte van [geïntimeerde] met producties van 17 mei 2022;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] van 21 juni 2022;
  • de (antwoord)akte uitlating van [appellant] van 5 juli 2022.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6.De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof:
- [appellant] in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de waarde van de (echtelijke) woning aan de [adres] te [plaats] ten tijde van het overlijden van erflater meer dan € 225.000,- bedroeg;
- [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om de door haar gestelde vordering van de SVB op erflater alsnog te onderbouwen door de notariële akte van 23 oktober 2018 en de daarachter gehechte beschikking van de SVB in het geding te brengen.
Waarde echtelijke woning
6.2.
[appellant] heeft een akte genomen waarin hij stelt dat [geïntimeerde] bij de aangifte erfbelasting van 14 september 2015 en in de boedelbeschrijving als waarde voor de woning € 356.000,- heeft opgenomen, terwijl het (niet volledige) taxatierapport dateert van voor die tijd. [appellant] stelt verder dat eerst het volledige taxatierapport overgelegd dient te worden alvorens daarover gericht gedebatteerd kan worden en/of bewijsvoering kan plaatsvinden. Na het in het geding brengen van het volledige rapport wenst [appellant] [geïntimeerde] en de taxateur, [persoon C] , als getuigen te horen en alsdan te beoordelen of aansluitend nog nodig is om een deskundige te benoemen om (tegen)bewijs te leveren.
6.3.
[geïntimeerde] heeft bij akte het volledige taxatierapport van [persoon C] van [[X]] makelaardij B.V. overgelegd, waarin de (echtelijke) woning aan de [adres] in [plaats] per 2 april 2015 is getaxeerd op een marktwaarde van
€ 225.000,-. Zij stelt in de (antwoord)akte uitlating dat zij, nadat zij juridische bijstand had, zich consequent op het standpunt heeft gesteld dat de waarde van de (echtelijke) woning voor de berekening van de legitieme portie op € 225.000,- vastgesteld moet worden.
6.4.
Na het overleggen van het volledige taxatierapport door [geïntimeerde] geeft [appellant] aan zijn betwisting van het rapport te handhaven, welke betwisting onder meer inhoudt dat er geen vergelijking blijkt te zijn gemaakt met vergelijkbare objecten en dat de WOZ-waarde van de (echtelijke) woning aanmerkelijk hoger is.
[geïntimeerde] stelt dat [appellant] , ook al had hij niet het volledige taxatierapport in zijn bezit, aan zijn bewijsopdracht had kunnen voldoen door zich concreet uit te laten over het horen van getuigen dan wel het in het geding brengen van een deskundigenrapport. Door dat niet te doen is [appellant] er niet in geslaagd te bewijzen dat de waarde van de (echtelijke) woning onmiddellijk na het overlijden van erflater hoger dan € 225.000,- was.
6.5.
Het hof is van oordeel dat [appellant] met de betwisting van het volledige taxatierapport nog niet heeft bewezen dat de waarde van de (echtelijke) woning van erflater ten tijde van het overlijden meer dan € 225.000,- bedroeg. [appellant] heeft echter aangegeven dat hij na overlegging van het taxatierapport getuigen wenst te horen. Het hof zal [appellant] daartoe dan ook nog éénmaal in de gelegenheid stellen. Het hof merkt hierbij op dat de marktwaarde (waarde in het economisch verkeer) van de (echtelijke) woning van erflater ten tijde van het overlijden van belang is voor de berekening van de legitieme portie.
Schuld SVB
6.6.
[geïntimeerde] heeft bij voormelde akte de notariële akte van 23 oktober 2018 overgelegd met de onderliggende stukken van de SVB. Zij stelt dat zij deze in eerste aanleg bij brief van 20 september 2019 (productie 5 eerste aanleg, USB-stick) ook heeft overgelegd en dat de vordering derhalve reeds onderbouwd en bewezen is.
[appellant] stelt in de antwoordakte dat [geïntimeerde] bij het overleggen geen nadere toelichting heeft gegeven waardoor zij niet aan haar nadere stelplicht heeft voldaan.
6.7.
Het hof merkt allereerst op dat productie 5 van het procesdossier in eerste aanleg in het door [appellant] overgelegde kopiedossier op 8 december 2021 niet gelijk is aan productie 5 van het door [geïntimeerde] op 19 juli 2022 (dus na het tussenarrest) gefourneerde dossier. Productie 5 in het dossier van [appellant] betreft een brief van 27 februari 2019 over de onderbewindstelling van [appellant] met twee bijlagen. Productie 5 in het overgelegde dossier van [geïntimeerde] betreft een brief van 20 februari 2019 met een USB-stick waarop onder andere de hypotheekakte van 23 oktober 2018 zou staan. Uit het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat beide producties wel in eerste aanleg zijn overgelegd. Het hof beschikte echter niet over de USB-stick waar genoemde hypotheekakte en de daarbij behorende beschikking van de SVB op zouden staan, zoals ter zitting in hoger beroep met partijen besproken. [geïntimeerde] heeft bij akte de hiervoor genoemde op de USB-stick staande stukken vervolgens in hoger beroep alsnog overgelegd. Met deze notariële hypotheekakte en de daarbij behorende brieven/beschikkingen van de SVB heeft zij naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat erflater wegens te veel ontvangen AOW-uitkering € 30.398,75 aan SVB verschuldigd was. Deze schuld is onderdeel van de nalatenschap van erflater zodat het hof voor de berekening van de legitieme portie met dit bedrag rekening zal houden.
Terugkomen op bindende eindbeslissing?
6.8.
In de antwoordakte van [appellant] stelt hij tot slot dat de waarden van de werken van erflater hoger gewaardeerd dienen te worden, dat het rapport van [persoon B] niet gevolgd kan worden en dat de wettelijke eisen die aan een deskundigenbericht gesteld worden in casu ook van toepassing zijn.
6.9.
Over de waarden van de werken en de totstandkoming van het taxatierapport heeft het hof in het tussenarrest al een bindende eindbeslissing gegeven (zie onder 3.9.1-3.9.3).
Voor een dergelijke beslissing geldt de regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan volgens vaste jurisprudentie anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, dan wel indien de eisen van een goede procesorde om een andere reden meebrengen dat de rechter zijn eindbeslissing heroverweegt, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
Kennelijk heeft [appellant] op deze uitzondering een beroep willen doen. [appellant] voert in hoofdlijn hetzelfde aan als in de memorie van grieven, maar heeft niet gemotiveerd waarom het hof op de bindende eindbeslissingen moet terugkomen. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding om deze beslissingen te herzien. Ook overigens is hier geen aanleiding toe.
6.10.
Naar aanleiding van het voorgaande zal [appellant] nog éénmaal in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat de waarde van de (echtelijke) woning ten tijde van het overlijden van erflater hoger is dan € 225.000,-.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7.De uitspraak

Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de waarde van de (echtelijke) woning (in het economisch verkeer) aan de [adres] , [postcode] [plaats] ten tijde van het overlijden van erflater meer dan € 225.000,- bedroeg;
bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.E. Smorenburg als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak voor dat geval ook naar de rol van 25 oktober 2022 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.E. Smorenburg en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2022.
griffier rolraadsheer