Belanghebbende, eigenaar van een eenmanszaak en aandeelhouder van een BV, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 een bedrag van €70.000 aan concernbijdrage ten laste van de winst uit onderneming. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op omdat de concernbijdrage volgens hem niet aftrekbaar was. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en stelde dat de bewijslast voor aftrekbaarheid bij belanghebbende lag, die onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de concernbijdrage zakelijke kosten betrof.
In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat een modelovereenkomst concernbijdrage bestond die de aard van de kosten verduidelijkte, maar gaf ter zitting toe dat met de BV geen schriftelijke overeenkomst was gesloten. Het hof oordeelde dat de modelovereenkomst onvoldoende was om de aftrekbaarheid aan te tonen zonder daadwerkelijke overeenkomst of bewijs van kosten.
Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens wees het hof een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28 september 2022.