Appellant en geïntimeerde, broers, hadden een geschil over de verkoop van een woning en de bouw van een mantelzorgwoning op het perceel. Appellant had kosten gemaakt voor de bouw van de mantelzorgwoning en vorderde vergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank wees de vordering tot terugbetaling van een geldlening toe, maar wees de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking af. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn vordering alsnog toegewezen moest worden, terwijl geïntimeerde een verjaringsverweer voerde.
Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen in november 2011, toen appellant de bouw staakte en bekend was met zijn schade en de aansprakelijke persoon. Omdat appellant geen stuitingshandeling had verricht, was de vordering per november 2016 verjaard. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.