De zaak betreft een geschil tussen een kippenhouder en een voerleverancier over de voortzetting en uitleg van een voerafnameovereenkomst na de overname van een pluimveebedrijf. De kippenhouder had de overeenkomst stilzwijgend voortgezet, maar staakte de voerafname vanwege vermeende negatieve effecten van het voer op het welzijn en de prestaties van de kippen.
Het hof oordeelt dat de overeenkomst stilzwijgend werd voortgezet onder dezelfde voorwaarden als voorheen. De kern van het geschil was of de kippenhouder verplicht was het voer te blijven afnemen gedurende de looptijd van de overeenkomst. Het hof stelt dat er geen absolute afnameplicht bestond indien het voer het welzijn van de kippen schaadde en de leverancier dit niet kon verhelpen. Dit was in lijn met gebruik in de branche en de verklaringen van deskundigen.
De dierenarts en een pluimveespecialist bevestigden dat het voer van de oorspronkelijke leverancier het welzijn van de kippen negatief beïnvloedde en dat het wisselen van voer leidde tot verbetering. De voerleverancier had de gelegenheid gehad het probleem op te lossen, maar slaagde daar niet in. De kippenhouder had daarom een gegronde reden om de afname te staken.
Het hof oordeelt dat dit niet neerkomt op wanprestatie van de voerleverancier en dat onvoldoende is gesteld en bewezen dat het voer niet aan de overeenkomst voldeed. De vorderingen tot schadevergoeding van de kippenhouder worden daarom afgewezen. Het hof vernietigt het deel van het vonnis dat de kippenhouder verplichtte tot betaling voor voer na 20 maart 2018 en bepaalt een lager bedrag dat betaald moet worden. Proceskosten worden deels gecompenseerd.