In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid van de verhuurder voor schade aan een huurwoning door verstoppingen in het rioolsysteem centraal. De bewindvoerder van de huurder vordert dat de verhuurder aansprakelijk wordt gesteld voor schade aan het keukenblok, de houten vloer en de buitenbestrating, en dat de verhuurder deze schade vergoedt of herstelt.
De feiten tonen dat de huurder in 2019 verstoppingen meldde die door vet, zeep en haar waren veroorzaakt. De verhuurder heeft de verstoppingen laten verhelpen en de buitenbestrating later alsnog hersteld. De verhuurder stelt dat het riool voldoet aan de voorschriften en dat de verstoppingen het gevolg zijn van gebruik door de huurder, die ook verantwoordelijk is voor het onderhoud van het binnenriool.
Het hof oordeelt dat appellant zelf niet-ontvankelijk is in het beroep omdat alleen de bewindvoerder namens hem kan optreden. De grieven van de bewindvoerder falen omdat onvoldoende is onderbouwd dat het riool bij aanvang van de huurovereenkomst gebrekkig was of dat de verhuurder tekort is geschoten in onderhoud. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de verhuurder aansprakelijk is voor de schade. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van het hoger beroep.