Partijen zijn in 1986 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in scheiding. De rechtbank stelde partneralimentatie vast en bepaalde de verdeling van de gemeenschap. De man ging in hoger beroep tegen de alimentatie, de vrouw incidenteel tegen de verdeling en behandeling van haar nalatenschap onder uitsluitingsclausule.
Het hof oordeelt dat de vrouw met haar huidige inkomen geen behoefte meer heeft aan partneralimentatie en wijst het verzoek af. Daarnaast erkent het hof dat de nalatenschap die de vrouw onder uitsluitingsclausule ontving buiten de gemeenschap valt, maar dat door stortingen en betalingen vanuit deze nalatenschap naar gemeenschappelijke rekeningen een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.
Hierdoor is een vergoedingsrecht ontstaan ten gunste van de vrouw jegens de gemeenschap of de man. Het hof bepaalt dat de vrouw recht heeft op vergoeding van € 132.856,64 jegens de gemeenschap of € 66.428,32 jegens de man. Ook wordt de kapitaalverzekering gesplitst. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.