Partijen, gehuwd sinds 2010 en ouders van drie minderjarige kinderen, zijn in geschil over de zorg- en omgangsregeling na hun echtscheiding in 2019. De vader verzoekt om een ruimere omgangsregeling met minder wisselmomenten, stellende dat de huidige regeling leidt tot onrust bij de kinderen door slechte communicatie tussen de ouders en zijn eigen gezondheidsproblemen. Hij vraagt tevens om een deskundigenbericht in de vorm van forensische mediation of een raadsonderzoek.
De moeder verzet zich tegen wijziging van de regeling, stellende dat de huidige regeling het belang van de kinderen dient, de kinderen geen problemen ervaren met wisselmomenten en dat de vader niet voldoende beschikbaar is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens de huidige regeling te handhaven en raadt een ouderschapsreorganisatietraject aan in plaats van een deskundigenonderzoek.
Het hof oordeelt dat er weliswaar sprake is van gewijzigde omstandigheden, maar dat de huidige zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. De vermeende problemen worden vooral veroorzaakt door de moeizame communicatie tussen de ouders en niet door het aantal wisselmomenten. De voorgestelde ruimere regeling is niet wenselijk, mede gelet op de werktijden van de vader en het feit dat de kinderen inmiddels allemaal naar school gaan. Het hof volgt het advies van de raad om geen deskundigenbericht te gelasten en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.