Belanghebbende, woonachtig in België en met de Nederlandse nationaliteit, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking. Zij voerde aan dat de verminderingen van de (bijzondere) verhoging van de algemene heffingskorting volgens artikel 8.9, lid 3, en artikel 8.9a, lid 2, Wet IB 2001 onterecht waren toegepast, omdat deze leiden tot dubbele belastingheffing over haar Belgische pensioeninkomsten en discriminatie in strijd met het belastingverdrag.
Het hof oordeelt dat het belastingverdrag Nederland-België niets regelt over het tarievenstelsel en de heffingskortingen, en dat na toepassing van de regeling ter voorkoming van dubbele belasting de verschuldigde IB € 0 bedraagt. De non-discriminatiebepaling uit artikel 26, lid 1, van het belastingverdrag is niet van toepassing omdat belanghebbende de Nederlandse nationaliteit bezit. Het hof gaat niet in op overige internationale rechtelijke stellingen wegens gebrek aan specificering.
De belastingrentebeschikking is eveneens correct berekend conform de wettelijke bepalingen. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.