Uitspraak
- het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5975628 en rolnummer 17-4541 gewezen vonnis van 20 juli 2017;
- de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, afdeling Civiel Recht, onder zaaknummer C/01/323612 en rolnummer HA ZA 17-486 gewezen vonnissen van 30 augustus 2017 en 21 februari 2018.
5.Het vervolg van de procedure in verzet
- het tussenarrest van 28 juni 2022;
- de door [geïntimeerde] genomen akte met producties 7, 8 en 9;
- de door [appellant] genomen antwoordakte met productie 4.
6.De verdere beoordeling
- Tussen [geïntimeerde] als opdrachtgever en [appellant] als opdrachtnemer is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen op grond waarvan [appellant] het paard van [geïntimeerde] zou beleren.
- Dat [appellant] het paard voor een kar heeft ingespannen, het paard met de kar door een ven heeft laten lopen en daarna het paard nogmaals het ven in heeft laten sturen levert geen tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en is ook niet onrechtmatig.
“van een zaak die daartoe ongeschikt is”in de zin van artikel 6:77 BW Pro. Omdat [appellant] dit onvoldoende heeft betwist, moet het hof het op de voet van artikel 149 lid 1 Rv Pro als vaststaand beschouwen. Het hof acht daarom geen aanleiding aanwezig om hierover nog bewijslevering te laten plaatsvinden.
“gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.”De bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming, rusten op de schuldenaar die zich tegen een vordering tot schadevergoeding verweert, in dit geval dus op [appellant] .
“Hierbij bevestig ik, [persoon D] , dat ik in april 2015 € 100.000,-- heb geboden voor de 3 jarige merry (…)”
“Het is ondergetekende niet bekend of [het paard] (…) stalgebreken had of vervelende karaktereigenschappen”.Dit wijst erop dat de taxatie op een te hoog bedrag is gesteld en dat er in elk geval geen aanleiding is om de waarde van het paard, zoals [geïntimeerde] primair wenst, op het vijfvoudige te stellen van de waarde die in het taxatierapport is gegeven. [geïntimeerde] heeft ook niet duidelijk gemaakt waarom hij niet op het beweerdelijke bod is ingegaan.
7.De uitspraak
- de niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in het hoger beroep tegen het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5975628 en rolnummer 17-4541 gewezen vonnis van 20 juli 2017;
- de niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in het hoger beroep tegen het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, afdeling Civiel Recht, onder zaaknummer C/01/323612 en rolnummer HA ZA 17-486 gewezen tussenvonnis van 30 augustus 2017;
- de vernietiging van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, afdeling Civiel Recht, onder zaaknummer C/01/323612 en rolnummer HA ZA 17-486 gewezen eindvonnis van 21 februari 2018;
- de afwijzing van de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten;
- de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in de proceskosten van de verstekprocedure bij het hof;