[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden nog altijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd als gevolg van wat zij ieder hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de ouders. Die thuissituatie bij de ouders was zeer onveilig voor de kinderen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben daar verschillende heftige situaties meegemaakt die nog steeds invloed hebben op hun ontwikkeling. Zij zijn uiteindelijk uit huis geplaatst en wonen sinds 2018 niet meer bij de ouders.
Zij laten in hun gedrag hiervan de gevolgen zien en worden ieder, op een andere manier, in hun ontwikkeling bedreigd door hetgeen zij in het verleden hebben meegemaakt.
[minderjarige 1] vertoont ernstige gedragsproblematiek waardoor zijn ontwikkeling is gestagneerd. Hij vertoont symptomen van ADHD en dyslexie. Hij wordt geremd in zijn mogelijkheden door zijn ervaringen in het verleden. [minderjarige 1] vindt het lastig relaties aan te gaan en heeft veel begeleiding nodig van de gezinshuisouders en extra aandacht op school om voldoende te functioneren. Hij vergt, volgens de gezinshuisouders en de betrokken hulpverlening, meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden van zijn opvoeders. Hij heeft PMT en traumatherapie nodig om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken.
Bij [minderjarige 2] is sprake van hechtingsproblematiek, ongespecificeerd psychotrauma dan wel een stressgerelateerde stoornis. Zij heeft regelmatig driftbuien met agressief gedrag en haar stemming kan snel wisselen. Zij laat soms sterk aantrekkend of afstotend gedrag zien. Verder ervaart zij veel spanning rondom de bezoeken met de moeder. Zij lijkt klem te zitten tussen de moeder en de pleegouders en onvoldoende ruimte te voelen om een hechtingsrelatie met de pleegouders aan te gaan. Rondom de bezoeken met de moeder is er veel spanning bij haar. Ook [minderjarige 2] vraagt met periodes bovengemiddeld veel van haar opvoeders. Zij krijgt behandeling voor haar trauma en hechtingsproblematiek.
Ten aanzien van [minderjarige 3] is nog onduidelijk welke invloed de gebeurtenissen in het verleden hebben op zijn ontwikkeling. Over hem zijn er op dit moment minder zorgen dan over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : hij lijkt zich goed te ontwikkelen
.
Voor alle drie de kinderen geldt dat zij gebaat zijn bij rust, continuering van de plaatsing en dat er niet opnieuw gewisseld hoeft te worden. De kinderen dienen zoveel mogelijk stabiliteit te ervaren in hun leven. In dat verband zijn ook de zittingen rondom de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing een contra-indicatie.
Door de problematiek van de kinderen, en dan in het bijzonder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vragen zij bovengemiddeld veel van een opvoeder.
Hoewel de moeder enerzijds erkent dat de kinderen niet meer bij haar kunnen komen wonen en verklaart te begrijpen dat de kinderen kampen met de problematiek zoals hiervoor genoemd, lijkt zij in haar communicatie richting de kinderen niet altijd duidelijk over hun perspectief althans is daar bij de kinderen verwarring over ontstaan. De moeder blijft, al dan niet bedoeld, daarover een ambivalente houding aannemen.
Hoewel de moeder dit anders ziet, is het hof er niet van overtuigd dat de moeder voldoende inzicht heeft in de kindeigen problematiek van de kinderen en dat zij de benodigde opvoedplus vaardigheden bezit om daar mee om te gaan. Met de raad heeft het hof niet het vertrouwen dat het daarom mogelijk is dat de moeder binnen een aanvaardbare termijn van de kinderen de verzorging en opvoeding weer ter hand kan nemen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het opvoedperspectief van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet meer bij de moeder ligt.
Het hof ziet ook geen aanleiding om de moeder het gezag te laten behouden zodat zij op afstand als gezaghebbende ouder voor de kinderen kan zorgen. De duidelijkheid die de beëindiging van het gezag van de moeder (en ook van de vader) voor betrokkenen met zich brengt, zal ertoe bijdragen dat er rust komt in de onderlinge verhoudingen tussen de voor de kinderen belangrijke personen.
Daarbij komt dat de moeder emotioneel blijft wensen dat de kinderen uiteindelijk bij haar worden teruggeplaatst en dat zij, om begrijpelijke redenen, niet volledig kan loslaten dat de kinderen bij de pleegouders opgroeien. Dit maakt dat de instandhouding van het gezag ertoe zal leiden dat de onduidelijkheid over het toekomstperspectief van de kinderen blijft voortduren. Dat acht het hof ongewenst en in strijd met het welzijn van de kinderen. Het hof wijst in dit verband ook nog eens op de hechtingsproblematiek van [minderjarige 2] .
Het is daarom voor de kinderen van belang dat zij duidelijkheid krijgen over hun opvoedperspectief, omdat onduidelijkheid hierover hun verdere ontwikkeling in de weg staat. Zij hebben behoefte aan rust en stabiliteit. Mede gelet hierop en ook gezien de kwetsbaarheid van de kinderen is het hof van oordeel dat de periode van onzekerheid die voor de kinderen te overbruggen is zonder verder ernstige schade op te lopen in hun ontwikkeling, inmiddels is verstreken.
Alles overziende is het hof van oordeel dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij behoud van haar gezag.