Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft hoger beroep tegen beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake machtigingen tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De ouders, gezamenlijk gezaghebbenden, betwisten de noodzaak van uithuisplaatsing en verzoeken om heroverweging.
De rechtbank had op 17 augustus 2021 en 8 december 2021 machtigingen verleend voor uithuisplaatsing in respectievelijk een voorziening voor pleegzorg en een accommodatie jeugdhulp. De ouders voeren uiteenlopende argumenten aan over de veiligheid en opvoedsituatie, waarbij de moeder stelt dat de kinderen veilig thuis kunnen blijven met passende hulp, en de vader dat hij in staat is voor de kinderen te zorgen.
De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat sprake is van acute onveiligheid en ernstige ontwikkelingsbedreiging, met indicaties van trauma en loyaliteitsconflicten bij de kinderen. Het hof overweegt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is ter bescherming van de kinderen en voor het uitvoeren van onderzoek naar hun geestelijke en lichamelijke gesteldheid. De machtigingen zijn in overeenstemming met artikel 1:265b BW en worden bekrachtigd. Het verzoek tot verkorting van de termijn van de machtiging is ingetrokken.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen tot 22 juni 2022.