ECLI:NL:GHARL:2019:5800

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juli 2019
Publicatiedatum
16 juli 2019
Zaaknummer
200.259.121/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de beschikking van de rechtbank inzake machtiging uithuisplaatsing in gezinshuis

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 juli 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep over de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De zaak betreft de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI) die in hoger beroep ging tegen een eerdere beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland. De kinderrechter had op 12 februari 2019 het verzoek van de GI om de kinderen in een gezinshuis te plaatsen afgewezen, omdat er al een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg was verleend. De GI stelde dat deze eerdere machtiging niet als een algemene machtiging kon worden aangemerkt en dat zij daarom geen belang had bij het verzoek.

Het hof oordeelde dat de GI ten onrechte was afgewezen in haar verzoek. Het hof benadrukte dat de machtiging tot uithuisplaatsing die door de kinderrechter was verleend specifiek was voor een voorziening voor pleegzorg en dat de GI niet de ruimte had om de kinderen in een gezinshuis te plaatsen zonder een nieuwe machtiging. Het hof concludeerde dat de omstandigheden van de kinderen, die een verzwaarde opvoedingsvraag hebben, een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis noodzakelijk maakten. De ouders stonden achter deze beslissing.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank en verleende alsnog de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis, met ingang van de datum dat de kinderen feitelijk in het gezinshuis verbleven tot 27 mei 2019. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.259.121/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/189622 / JE RK 19-46)
beschikking van 11 juli 2019
inzake
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
en
[verweerder],
wonende te [A] ,
verder te noemen: de vader,
[verweerster],
wonende te [A] ,
verder te noemen: de moeder,
verweerders in hoger beroep,
geen advocaat gesteld.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (verder ook te noemen: de kinderrechter), van 12 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 7 mei 2019;
- een faxbericht van de GI van 31 mei 2019 met productie(s).
2.2
De GI heeft het hof bij de brief die is overgelegd bij het faxbericht van 31 mei 2019 verzocht de zaak af te doen op basis van de stukken in het dossier en heeft daarbij een akkoordverklaring van de ouders overgelegd. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen en zal de zaak op de stukken afdoen.

3.De feiten

3.1
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren [in] 2010 [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en [in] 2016 [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ). De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.
3.2
Bij beschikking van 27 november 2018 heeft de kinderrechter de kinderen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming onder toezicht gesteld van de GI met ingang van
27 november 2018 tot 27 november 2019 en aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 27 november 2018 tot 27 mei 2019.
3.3
Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de kinderrechter op 31 december 2018, heeft de GI de rechtbank verzocht op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek per direct een machtiging te verlenen om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinshuis, voor de duur van de machtiging uithuisplaatsing tot 27 mei 2019 en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter dit verzoek afgewezen.

4.De omvang van het geschil

De GI is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de GI alsnog toe te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De GI komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de GI de kinderen op grond van de machtiging zoals door de kinderrechter verleend bij beschikking van 27 november 2018 ook kon plaatsen in een gezinshuis en dat de GI om die reden geen belang heeft bij het verzoek zoals door haar in eerste aanleg is gedaan.
5.2
De GI stelt kort samengevat dat nu in casu door de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor een specifieke categorie, namelijk de categorie "voorziening voor pleegzorg", de GI - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet de ruimte had om de kinderen in een gezinshuis te plaatsen. De GI verwijst in dit verband onder meer naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2120).
5.3
Naar het oordeel van het hof maakt het feit dat de machtiging door de kinderrechter bij de beschikking van 27 november 2018 is verleend voor plaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, dat het de GI niet vrij stond om de kinderen op basis van deze machtiging over te plaatsen naar een gezinshuis. Een uithuisplaatsing maakt een ernstige inbreuk op het in beginsel te beschermen gezinsleven van een kind. Bij de beoordeling en afweging van een verzoek tot uithuisplaatsing in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) speelt de aangewezen vorm van jeugdhulp een belangrijke rol. Immers bij de aangewezen vorm van jeugdhulp dient rekening te worden gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders Om die reden heeft de GI naar het oordeel van het hof terecht een nieuwe machtiging verzocht voor de plaatsing van de kinderen in een gezinshuis. Immers er trad een verandering op in de aangewezen vorm van jeugdhulp waarvoor door de kinderrechter een machtiging was verleend. Het hof deelt niet de opvatting dat de kinderrechter in de beschikking van
27 november 2018 zou hebben beoogd een algemene machtiging zoals bedoel in artikel 1:265b lid 1 BW af te geven. In dat geval had het immers voor de hand gelegen dat de kinderrechter in zijn beschikking van 27 november 2018 een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht had verleend. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van het hof ten onrechte overwogen dat de GI geen belang had bij haar verzoek.
5.4
Het hof is op basis van de overgelegde stukken van oordeel dat in de periode waarover het hof thans dient te oordelen een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis noodzakelijk was. Vast is komen te staan dat beide kinderen een verzwaarde opvoedingsvraag hebben, die niet kon worden gewaarborgd in een regulier pleeggezin. In een gezinshuis kon de zorg voor de kinderen op een deskundige en professionele wijze worden gecontinueerd. Beide ouders stonden en staan achter plaatsing van de kinderen in een gezinshuis. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en alsnog een machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis, met ingang van de dag dat de kinderen feitelijk in een gezinshuis verbleven tot 27 mei 2019. Gelet op het vorenstaande slaagt de eerste grief van de GI.
5.5
Het hof acht met de hiervoor opgenomen overwegingen de tweede grief voldoende besproken.
5.6
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
12 februari 2019, en in zoverre opnieuw beschikkende:
verleent met ingang van de dag dat de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2016, feitelijk in een gezinshuis verblijven, machtiging tot uithuisplaatsing van deze kinderen in een gezinshuis tot 27 mei 2019;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, G.M. van der Meer en
J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 11 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffer.