In deze civiele zaak ging het hoger beroep over het verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] te dwingen in te stemmen met een schuldenregeling van 48,1% van de hoofdsom. De rechtbank had dit verzoek afgewezen omdat de schuldenaar een stabiel inkomen heeft en voldoende aflossingscapaciteit, waardoor geen sprake is van een problematische schuldensituatie.
Het hof bevestigt dat het voorstel niet het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht. De schuldenaar beschikt over een goed inkomen en stort maandelijks een aanzienlijk bedrag op een depositorekening. Daarnaast staat [geïntimeerde], die een groot deel van de schuld vertegenwoordigt, open voor een betalingsregeling die rekening houdt met de financiële draagkracht van de schuldenaar.
De rechtbank en het hof oordelen dat het feit dat het aflossen langer kan duren dan drie jaar niet betekent dat er sprake is van een uitzichtloze schuldensituatie. Ook de rol van de ex-partner die via loonbeslag aflost, speelt mee in de beoordeling.
De beschermingsbewindvoerder wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het instellen van hoger beroep door hem niet als een daad van beschikking over de onder bewind staande goederen wordt gezien. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot dwangakkoord af.