Uitspraak
8.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 2 november 2021;
- de op 14 december 2021 door [appellante] genomen memorie na tussenarrest met producties 11 tot en met 15;
- de op 14 december 2021 door de VvE genomen memorie na tussenarrest met producties 2 tot en met 6;
- het H16-formulier van 24 januari 2022 waarbij [appellante] heeft laten weten geen behoefte te hebben aan het nemen van een memorie van antwoord na tussenarrest;
- de op 25 januari 2022 door de VvE genomen memorie van antwoord na tussenarrest.
9.De verdere beoordeling
- A. € 15.500,-- ter zake meerkosten van het door [appellante] gekochte alternatieve appartementsrecht;
- B. € 9.800,-- ter zake huurkosten;
- C. € 400,-- ter zake reis- en telefoonkosten;
- D. € 1.590,-- ter zake een aanbetaling voor werkzaamheden;
- E. € 26.280,-- ter zake hogere VvE-bijdrage.
- dat de posten A, D en E niet toewijsbaar zijn;
- dat post C slechts toewijsbaar is tot een bedrag van € 32,30.
- de kale huurprijs ten tijde van de indiening van het verzoek (1 februari 2015) € 637,11 per maand bedroeg;
- de Huurcommissie de kale huurprijs met ingang van 1 april 2015 heeft verlaagd tot € 512,39 per maand.
- over de periode van 1 november 2014 tot 1 april 2015 een kale huur van € 637,11 per maand aan te houden als schade;
- over de periode vanaf 1 april 2015 (naar het hof begrijpt: tot 1 januari 2016) een kale huur van € 512,39 aan te houden als schade.
- van 1 november 2014 tot 1 april 2015 een kale huur van € 637,11 per maand;
- vanaf 1 april 2015 tot 1 januari 2016 een kale huur van 512,39 per maand.
- om zich uit te laten over de vraag of het door [appellante] gehuurde appartement [adres 1] een tweekamerappartement dan wel een driekamerappartement is (rov. 6.12.3);
- om onder overlegging van bewijsstukken mee te delen hoe hoog de VvE-bijdragen in de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2016 zijn geweest voor een tweekamerappartement zoals het appartement [adres 3] (rov. 6.12.4).
10.De uitspraak
- veroordeelt de VvE om aan [appellante] € 6.079,36 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 augustus 2019;
- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- compenseert de proceskosten van het geding bij de kantonrechter tussen partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
- wijst het meer of anders gevorderde af;