Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/359796 / HA ZA 20-425)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de mondelinge behandeling, waarbij mr. Van Gerwen spreekaantekeningen heeft overgelegd;
- de bij H12 formulier van 8 februari 2023 door mr. Van Gerwen toegezonden productie, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
In een door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in het geding gebrachte brief van de [gemeente 1] , verzonden op 15 juli 2004 (productie 6b conclusie van antwoord), staat dat het gebouw op het achtererf en de woning op 12 juli 2004 zijn gecontroleerd op bouwkundige, installatietechnische en veiligheidsaspecten. Volgens de gemeente was het gebouw op het achtererf onveilig en bouwvallig. Uit het rapport van [taxatiebedrijf] volgt dat deze ‘berging’ inmiddels is gesloopt. Met betrekking tot de woning verkeerde volgens de gemeente het metselwerk van de gevel in slechte staat, bladderde het schilderwerk van de houten ramen en deuren in de voorgevel en achtergevel, zat dit gedeeltelijk los en was het dun (mat en dof), waren enkele plaatsen in de voor- en achtergevel rot, lagen pannen scheef en ontbraken vorsten. Over de onderhoudstoestand is ter zitting desgevraagd door [geïntimeerde 2] aangegeven dat hij er in 1974 en 1975 zelf heeft gewoond, dat hij ieder steentje kent en dat de situatie nu nog exact hetzelfde is. Er is volgens hem alleen sprake van rookmelders, een brandslag, een nieuwe ketel en wat nieuwe deuren. Uit het voorgaande volgt dat de staat van onderhoud van de woning per 1 december 2004 niet wezenlijk anders zal zijn dan nu het geval is. Het hof ziet hierin aanleiding om alleen een taxateur en niet ook een bouwkundige als deskundige te benoemen.
- een huuropbrengst van € 22.000,- in 2004;