Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. Belanghebbende stelde dat het geld op een spaarrekening, bestemd voor bouwtermijnen van een appartement, niet tot de rendementsgrondslag behoorde.
Het hof oordeelde dat de brieven van belanghebbende niet binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken na dagtekening van de aanslag waren ingediend, zodat geen tijdig bezwaar was gemaakt. Desondanks kon het hof het verzoek om ambtshalve vermindering beoordelen. Het hof bevestigde dat het geld op de spaarrekening als bezitting tot de rendementsgrondslag behoort, omdat het niet onder een wettelijke vrijstelling valt en geen bouwdepot betreft.
Verder stelde het hof vast dat de schuld van nog niet vervallen bouwtermijnen niet tot de rendementsgrondslag behoort, maar wordt toegerekend aan het inkomen uit werk en woning. Het hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat het appartement niet als eigen woning in aanbouw kwalificeert. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.