De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wegens hulp bij zelfdoding van zijn vader. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis en verklaart het bewezen dat de verdachte opzettelijk hulpmiddelen heeft verschaft en een installatie heeft gemaakt die zijn vader gebruikte voor zelfdoding.
De verdediging voerde overmacht in de zin van noodtoestand aan, stellende dat de verdachte moest kiezen tussen strijdige plichten vanwege het ondraaglijke lijden van zijn vader die geen arts wilde raadplegen. Het hof oordeelt dat dit beroep faalt omdat de verdachte geen arts heeft geraadpleegd en de situatie niet acuut genoeg was om aan de hoge eisen van noodtoestand te voldoen.
Ook het beroep op psychische overmacht wordt verworpen. Deskundigen concludeerden dat de verdachte weliswaar onder druk stond, maar nog steeds de vrijheid had om anders te handelen. Gelet op de aard van het feit, de persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop, legt het hof geen straf op. Een schuldigverklaring zonder straf is voldoende om recht te doen aan het feit.
Het hof benadrukt dat het handelen van de verdachte ingegeven was door naastenliefde en dat hij open en eerlijk is geweest gedurende het proces. De verdachte wordt vrijgesproken van andere tenlasteleggingen en het hof spreekt hem niet vrij van het bewezenverklaarde, maar legt geen straf of maatregel op.